Hoofdstuk 8. Nesdijk in Bergen.

Tijdens een zomervakantie ging ik met mijn moeder en broer naar een huisje aan zee in Noord-Holland. Het lag aan de Nesdijk in Bergen. Tegenover het huis, aan de andere kant van de weg, stond een reusachtige beukenboom, waar ik altijd in speelde. Vlak bij een groot weiland. Met twee Arabische paarden.
 Ik ging bij het prikkeldraad staan. De paarden galoppeerden plotseling mijn kant uit, bleven vlak voor het prikkeldraad staan en beten in mijn schouder. Huilend van de pijn liep ik naar mijn moeder en vertelde dat ik door die rot paarden gebeten was.
‘Merkwaardig. Ze herkennen hem,’zei mijn broer.
‘Wat bedoel je daarmee,’ vroeg ik.
‘Dat had ik niet moeten zeggen.’
‘Waarom niet?’
‘Vertel ik niet en hou er nu maar over op.’
‘Van wie is dit huis dan?’
‘Van een mijnheer.’
‘Wie is die mijnheer en waar is hij nu?’
‘Hij woont een tijdje in Ierland en het is een of andere rare dichter. Een gekke vent.'
‘Wat bedoel je met gekke vent? Het is trouwens wel een mooi huis!’
‘Hij is echt gek. Hij zegt dat hij een dichter is, maar hij slaat meestal wartaal uit. Hij zit gewoon wat te bazelen en krijgt er nog geld voor ook.’

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.