Hoofdstuk 11. Klok in gal.
Vrijwel iedere dag kwam ik JW tegen wanneer ik van de lagere school naar huis liep. Meestal zat hij op een oude fiets en droeg een groen jagerspetje. Hij was altijd aan het fluiten. Wanneer hij mij zag stapte hij van zijn fiets en gaf mij een hand.
Op een dag zei ik tegen mijn broer: ‘ik zag JW op zijn fiets. Ik vind hem wel aardig.’
‘Iedereen vergist zich lelijk in hem. Hij is de gemeenste die er is.’
‘Hoe kom je daar nu bij?’
‘Neem dat nu maar van mij aan.’.
‘Ik spreek zijn vader vaak,’ vervolgde ik. ‘Gisteren liep ik voorbij hun huis. Hij was in de tuin aan het werken en gaf mij een hand.’
‘Onmogelijk! Dat kan niet. Hij is niet echt.’
‘Hoe bedoel je niet echt?’
‘Het is een hologram.’
‘Ja, maar ik voelde zijn hand echt.’
‘Die gewaarwording heb je dan. Zijn vader en moeder leven trouwens niet meer. Hij heeft zijn ouders vermoord en opgegeten.’
‘Hoe kan dat? Je kunt ze toch niet in een keer opeten.’
‘Hij heeft ze eerst in een diepvrieskist gestopt.’
‘Heeft hij dan zo’n grote diepvrieskist?’
‘Nee, die had hij eerst gekocht.’
‘Hoe kan dat? Hij is van onze leeftijd. Niemand wil hem een diepvrieskist verkopen. En hoe komt hij aan dat geld?’
‘Klopt! Hij deed alsof hij zijn vader was. Hem kennende zal hij dat geld wel gestolen hebben.’
‘Hoe kan dat? Iedereen ziet toch dat hij niet zijn vader is.’
‘Hij had eerst een hologram van hem gemaakt.’
‘Waarom heeft hij dan zijn ouders vermoord?’
‘Hij heeft mij verteld dat ze vervelende vragen stelden. Daar kon hij niet tegen en kreeg er langzamerhand genoeg van.’
‘Doe niet zo belachelijk. Nu ben je aan het fantaseren. Zeker op het gymnasium geleerd!’
Ik draaide mij weer om in bed en probeerde te gaan slapen.
2
Op een gegeven ogenblik werd ik wakker in het huis van JW. Hoe ik daar terecht was gekomen was een raadsel.
‘Niet zo gezellig hier,’ zei ik. ‘Je hebt slechts een stoel en ik moet hier op de grond zitten. De vloeren zijn helemaal kaal.’
Hij zat links van mij onder een met stof beklede lamp. Blijkbaar werd hij verlegen over mijn opmerking, schoof onrustig met zijn benen op en neer en wilde snel ergens anders over beginnen.
‘Je hebt maar een enkele stoel,’ zei ik nogmaals, voordat hij wat kon zeggen. ‘Het is nog een oude ook. Je zakt helemaal door de veren en zit bijna op de vloer. Die oude lamp waaronder je zit is erg stoffig. Verder staat er in dit huis alleen nog een boekenkast. De vloeren zijn helemaal kaal. Tussen de planken brede kieren. Waar is eigenlijk alles gebleven?’
Hij lachte schamper en zei iets onverstaanbaars.
‘Kun je niet wat beter a-r-t-i-c-u-l-e-r-e-n, zodat ik mij niet zo hoef in te spannen om je te verstaan?’
Hij schraapte zijn keel, verhief zijn stem en zei:
‘Ach, het geeft niets. Ik ben hier bijna nooit.’
‘Waar woon je dan?’
‘Gaat je niets aan. Dat vertel ik wel een andere keer.’
‘Waarom niet? Je bent toch mijn buurjongen?’
‘Hou er nu maar over op. Ik vertel het toch niet. Trouwens, ik heb gehoord dat je jouw lichaam helemaal uit elkaar kunt halen.’
‘Van wie heb je dat gehoord?’
‘Van jouw broer. Wil je dat eens voor mij doen?’
Een van mijn negatieve karaktertrekken is dat ik altijd aan anderen graag wil laten zien waartoe ik in staat ben. Vaak loopt het dan verkeerd met mij af. Ik begon alle onzichtbare ritssluitingen in mijn hals en torso open te ritsen en trok mijn vel, zoals bij een wetsuit, naar beneden. Toen ik bij mijn kuiten terecht was gekomen liet ik hem mijn littekens zien.
‘Ik laat iedereen denken dat ik geopereerd ben. In feite heb ik veel ritsluitingen van mijn lichaam wat energetische massa betreft gesublimeerd in de littekens van mijn onderbenen.’
‘Dat weet ik allang. Je hebt ook nooit in een ziekenhuis gelegen. Wij hebben dat er bij jou ingeprent. Zodat jij, normaal gesproken, denkt dat je aan je benen geopereerd bent. In je droomlichaam weet je alles.’
Ik had die ritssluitingen werkelijk op de meest uitgekiende plaatsen. Vele malen geavanceerder dan bij een wetsuit. Ik kon mijn huid en de lagen daaronder zover afstropen dat er absoluut niets meer op mijn geraamte achter bleef. Vervolgens nam ik, net zoals bij een studiemodel van het menselijk lichaam, al mijn organen uit mijn lichaam en legde ze zorgvuldig in de boekenkast. Ik demonteerde de verscheidene compartimenten van mijn schedel en legde de onderdelen naast mijn organen. Het bovenste compartiment, mijn schedel dak, was vrijwel leeg. Een totaal vacuüm met uitsluitend een blauwe, diffuus oplichtende, edelsteen. In de vorm van een lotus. Achteraf kan ik dit mis hebben. Het is immers lang geleden dat deze gebeurtenis plaats vond. Bovendien viel het voor mij niet mee zo snel te wennen aan het veranderde perspectief van mijn waarnemingsvermogen dat buiten mijn lichaam ronddoolde. Daarnaast werd ik in verwarring gebracht omdat ik een totale buitenstaander van al mijn handelingen, van al mijn zintuigen, was geworden. Wel was ik uiterst waakzaam.
3
‘Kijk, wat mooi allemaal,’ zei ik, geëmotioneerd vanwege de aanblik van de uit elkaar gehaalde delen van mijn lichaam. Voor de duidelijkheid had ik alle verhoudingen tweemaal groter gemaakt. Mijn organen zagen er uit als kristal.
‘Mijn vel dient alleen om mijn skelet bij elkaar te houden,’ vervolgde ik. ‘Ik kan zelfs in een totaal vacuüm leven. Dan moet ik wel eerst een lange tijd geen water drinken. Anders spat het uit elkaar. Eten doe ik trouwens al enkele maanden niet meer.’
‘Ja, jij vertelt iedereen dat je voldoende hebt aan dat zogenaamde hemelse manna. Je geniet ervan, zeg je altijd.’
‘Dat klopt,’ riep ik opgewonden. ‘Van wie heb je dat gehoord?’
‘Van je broer natuurlijk. Hij vertelt mij, op een enkel teken van mij, alles over jou. Ja, Cappy, dit is nu allemaal van mij. Erg interessant!’
‘Hoe bedoel je van jou? Kijk uit hè, wanneer je er aan komt dan vermoord ik je,’ riep ik.
‘Dat kun je niet. Vanaf nu zit je in mijn spel,’ zei hij, lachte gemeen en wreef verkneukelend zijn handen.
Daarna werd ik op mijn rug wakker in mijn bed. De dekens zaten onder de matras.
Enige weken later keek ik uit het raam van mijn slaapkamer op de bovenste verdieping van mijn ouderlijk huis. Het huis stond aan de rand van een groot park tegenover een wit kasteel. Vroeger was het een raadhuis. De wijk, waarin het huis stond, bestond uit vrijwel identieke villa’s. Gebouwd in de jaren dertig. In de volksmond werd deze wijk ‘Het Blok’ genoemd.
Het viel mij de laatste dagen op dat er lange stukken plastic afval hingen aan de TV antenne van een huis verder op. Ik vond het zeer vreemd. Het leek mij zeer onwaarschijnlijk dat het plastic toevallig door de wind was meegenomen en aan de antenne was vast blijven haken. Daarvoor stond de antenne veel te hoog. Ik had dit bij geen enkele andere TV antenne in de buurt gezien. Bij harde wind wapperden de stukken afval als een gek heen en weer. Het fascineerde mij om er naar te kijken.
Mijn broer had mij die ochtend verteld dat ik midden in de nacht, achter de antenne, de volle maan kon zien.
Midden in de nacht werd ik wakker. Ik opende het raam en keek naar buiten, naar de volle maan. Op een gegeven moment kreeg ik een zeer vreemde gewaarwording. Het was alsof ik uit mijn lichaam werd gezogen. In de richting van de antenne. Plotseling stond ik op een groot plein waar ik nog nooit was geweest. Links van mij bevond zich een enorm gebouw met een witte koepel. Achter mij en aan de andere kant van het plein stonden lange gebouwen op pilaren. Op dat moment realiseerde ik mij dat ik op het St. Pieterplein in Rome was. Ik hoorde mijn naam scanderen:
‘ah, Cappy, je bent er al!’
4
Ik draaide mij om en zag twee mannen in zilverkleurige strakke overals. Hierdoor raakte ik in de war. Het gaf mij de indruk dat ik op een uitgestrekt lanceerplein van raketten stond, waar ik in mijn dromen al veel vaker was geweest. Ik kneep in mijn vel. Ik dacht dat ik sliep. Sloot enkele malen mijn ogen, maar ik was werkelijk op het St. Pieterplein. Zij namen mij stevig vast bij mijn schouders en trokken mij tussen de pilaren door. Ik kwam in een groot vertrek waar een bureau vlakbij een muur stond. Kort daarop kwam JW binnen en ging achter het bureau zitten. Hij begon mij op een nogal een indringende manier te ondervragen.
‘Zie je dingen die anderen niet zien? Zie je merkwaardige dingen? Wat zie je dan? Je moet wat zien en als je zegt dat je niets ziet dan zal ik je aanpakken!’
Ik wist echt niet waar hij het over had en kreeg een bijzonder onbehaaglijk gevoel. Hij ging door met zeuren. Uiteindelijk werd hij zeer kwaad. Ik voelde mij door hem bedreigd. Hij ging zelfs zover dat ik dacht dat mijn laatste uur was geslagen. Het gedrag van de twee andere mannen was zeer onheilspellend. De nagels van hun vingers drongen diep in het vlees van mijn schouders.
‘Zie je niet wie ik ben,’ zei ik kermend van de pijn. ‘We kennen elkaar al zolang. Waarom doe je zo verdomd vervelend tegen mij?’
‘Dat we elkaar kennen heb ik niets mee te maken. Daarvoor heb ik je niet laten komen. Ik kan je niet doden. Ik kan je wel laten vergiftigen. Dat laat ik aan anderen over. Er zijn er genoeg die dat willen doen. Niemand mag jou,’ zei hij vergenoegd en wreef in zijn handen. ‘Ik heb hier allemaal niet zoveel tijd voor. Het is beter hier direct een einde aan te maken. Verdorie, ze hebben mij helemaal van de andere kant van het heelal laten komen en ik heb het al zo druk. Jij bent echt vervelend en nu voor de laatste keer, wat zie jij wat wij niet zien.’
‘Ik weet het niet. Ik ben normaal, zoals iedereen. En wie zijn die gasten die mij
zo gemeen vast houden. Kunnen ze mij niet loslaten?’
Hij keek naar de twee mensen in de zilverkleurige pakken en zei:
‘Het zijn honden en kunnen het niet laten. Ze hebben een uitgesproken hekel aan jou, omdat ze weten dat je hen eens zal vernietigen. Ze gedragen zich, af en toe, zelfs als honden. Ze kunnen niet eens netjes eten. Ze kunnen het niet afleren. Ik denk dat ik disciplinaire maatregelen neem om dit in de toekomst te voorkomen. In hun eigen belang en zeker dat van mij. De grootste straf is dat ik hen dreig weer in een hond terug te stoppen. Dan schijten ze van angst.’
5
‘Honden,’ vroeg ik verbaasd. ‘Ik zie mensen!’
‘Nee, het zijn honden. De ergste soort. Ik heb hen in een mens gekloond. Een hond staat lager op de evolutie ladder dan een mens. Omdat ze al eeuwen met de mens samen leven kennen ze zijn gebruiken en manieren goed. Zo houd je wat DNA bouwstenen over waarmee ik weer wat kan doen. Dit is al door mijn voorouders begonnen en ik heb er een schepje bovenop gedaan.’
Daarna liet hij mij een klokje zien. Het had een doorsnede van ongeveer een centimeter.
‘Mooi klokje,’ zei hij trots. ‘Heb ik speciaal voor jou gemaakt.’
Ik nam het in mijn handen. Het was vrij zwaar. Toen ik het omkeerde stond er op de achterkant een tekst. Vreemde letters. Ik kon het niet ontcijferen. Ongeveer vijftig jaar later zag ik deze tekens op de buitenkant van de ring van Tolkien staan.
‘Als je weet wat het letterschrift betekent ben je al een stuk verder,’ zei JW. Hij snuffelde nog een moment in enkele papieren en zei: ‘ik zie in je medisch dossier dat je alcohol percentage door ons is aangepast. Het klokje tikt nu wel een half jaar. Dat is voorlopig, voor de zekerheid, wel voldoende. Wij zullen er voor zorgen dat er altijd alcohol in je lichaam aanwezig is. Oké, hij kan weer gaan. Deze keer komt hij er goed vanaf, maar plaats eerst dat klokje in zijn gal.’
‘Oké baas, dat komt voor elkaar.’
Toen ik de volgende ochtend wakker werd dacht ik dat ik gedroomd had. Ik was op bezoek bij de paus geweest. Hij had mij een hand gegeven waardoor ik rare dingen was gaan zien. Het eerste dat ik deed was mijn handen wassen. Die voelden werkelijk heel erg smerig aan. Ik dacht: als de paus mij maar niet gedrogeerd heeft.
Een andere keer vertelde ik mijn broer dat ik had gedroomd dat ik in New York was geweest.
‘In New York? Kom vertel,’ vroeg hij enigszins gebiedend.
Het was een grote villa met een muur erom heen van ongeveer drie meter hoog. Toen ik het huis in liep kwam ik in een zeer ruime trappenhal terecht. Ik werd verwelkomd door een chauffeur met een pet op. Hij vertelde mij dat zijn baas met zijn middagslaapje bezig was. Het wachten op mijn gastheer duurde lang. Ik begon mij stierlijk te vervelen en zei dat ik een eindje ging wandelen, zodat ik de omgeving kon verkennen.
Toen ik het tuinpoortje uitliep zag ik langs de stoep een grote auto staan. Hij was helemaal geel. Op een meter hoogte bevond zich een brede rand van zwart witte blokken. Boven op het dak was een lamp aangebracht, zodat ik dacht dat het om een taxi ging. Ik vroeg aan de chauffeur, die vlak achter mij liep, van wie de auto was.
6
‘Van mijn baas.’
‘Waarom ziet hij er als een taxi uit?’
‘Dan vallen we niet zo erg op.’
‘En wanneer iemand dan denkt dat het een taxi is en zijn hand op steekt om mee te kunnen rijden?’
‘Dan steek ik eveneens mijn hand op en rijd gewoon door. Dat vinden de mensen leuk, denk ik.’
‘Is dat niet erg brutaal?’
‘Nee, het zijn gewoon sufferds. Ze kunnen toch zien dat de taxi bezet is. De lamp op het dak is toch uit!’
Ik wilde er in gaan zitten, maar dat mocht absoluut niet. Hij vond het veel te gevaarlijk. Wel ging hij er zelf even inzitten en liet mij zien dat de koplampen naar binnen en buiten geklapt konden worden.
Toen ik daarna een tiental meters over de stoep had gelopen werd ik terug geroepen. Ik moest weer naar binnen. Het was buiten veel te gevaarlijk. Ik kon immers meegenomen worden door de anderen.
‘Wie zijn die anderen?’
‘O, mensen die jou mee willen nemen. De anderen! We krijgen je wel weer terug, hoor. Alleen is het zo’n heisa om je te zoeken. We moeten dan zoveel mensen vermoorden of verdoven. Zo’n toestand allemaal en we hebben toch al zo weinig tijd. Kom we gaan weer naar binnen.’
Onder aan de trap riep hij naar boven: ‘wij zijn weer in huis.’
Ik luisterde aandachtig, maar hoorde niets en zei:
’Je houdt mij voor de gek. Er is niemand boven.’
‘O jawel hoor, zeer zeker. Alleen denk ik dat hij nog slaapt.’
Hij nam mij mee naar een van de kamers die beneden op de hal uitkwamen. Aan de langste wand hing een schilderij dat mijn aandacht totaal in beslag nam. Het was een afbeelding van het laatste oordeel. Een moderne versie. Nogal klungelig geschilderd, waarover ik mijn mening ventileerde.
‘Hij kan niet zo goed schilderen, maar dit houdt hem enorm bezig. Bovendien heeft hij het speciaal voor jou gemaakt. Hij wilde dat jij dit zou zien.’
Hoog boven in de lucht vlogen grote condors met mensen in hun klauwen. Andere condors lieten de mensen uit hun klauwen vallen. Vliegtuigen die met elkaar in botsing kwamen. Brandende wolkenkrabbers. Gebroken bruggen en gescheurde wegen. Diepe ravijnen. Zinkende schepen. Graven waar mensen uitklommen. Bij weer andere graven werden ze er door duiveltjes met grote prikstokken ingestopt.
7
Ik werd uit mijn fascinatie gewekt door de chauffeur die ineens naast mij stond mee te kijken.
Hij keek mij grijnzend aan en zei, terwijl hij zijn stem verhief:
‘Daar wil ik jou het liefste zien liggen, daar onder die grafzerken. Jij bent een groot gevaar voor ons.’
‘Hoe bedoelt u,’ vroeg ik bedeesd, terwijl ik in elkaar kromp. Ik dacht dat hij mij wilde aanvliegen. Bovendien vertrouwde ik hem niet meer, omdat hij mij voor de gek had gehouden door tegen mij te zeggen dat er nog iemand anders in huis was. Hij was een grote volwassen en oersterke man en ik hooguit een jaar of tien.
‘Daar,’ zei hij nogmaals. ‘Daar wil ik jou het liefst zien.’
Hij wees met een trillende hand naar een van de graven waar iemand in werd geduwd.
‘Wij gaan er wel wat aan doen! Wees beducht. Trouwens we zijn er allang mee bezig.’
‘Wat bedoelt u daarmee?’
‘Wij proberen uit alle macht te voorkomen dat deze ongelukken plaats gaan vinden.’
‘Wanneer denkt u dat al die ongelukken gaan gebeuren?’
‘In 2004. Het hangt van Mars en Jupiter af. Die gaan dan een lijn vormen met de zon, de aarde en de maan. We hebben uitgerekend dat deze conjunctie in november 2004 plaats zal vinden. Wij hebben nog ongeveer vijftig jaar de tijd om maatregelen te treffen.
‘Hmm,’ zei mijn broer toen ik uit was verteld. ‘Dan ben je waarschijnlijk met zijn ruimteschip in New York terechtgekomen. Anders kan het niet. Het huis bestaat echt. Ik ben er ook wel eens geweest.’
‘Ruimteschip,’ vroeg ik.
‘Nou ja, sterrenschip bedoel ik eigenlijk. Hij heeft dat van jou gestolen. Maar geeft niet hoor. Is ook niet zo erg voor je. Jij hebt er inmiddels nog drie in het geheim gebouwd. We zijn deze driftig aan het zoeken. Jij hebt ze voorzien met de meest uitgekiende snufjes. Vele malen moderner dan het ruimteschip dat door hem is gestolen.’
Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina
Casparus RH
December 2005. Copyright ©.