Hoofdstuk 15. Ontsteking.

Mijn broer zat in militaire dienst en kwam onverwachts, midden in de week, voor een dagje naar huis. Mijn vader toonde zich buitengewoon opgewonden bij dit onverwachte weerzien.
‘Ja, ik kon ook niet wachten,’ zei mijn broer toen wij aan tafel zaten.
In die tijd gebruikten wij, zoals velen, de warme maaltijd aan het einde van de ochtend.
Mijn vader was druk bezig met het verorberen van zijn biefstuk die hij gewoonte getrouw als enige wel eens door de week kreeg.
‘Hier,’ zei hij, sneed een stukje van zijn biefstuk af en gaf het aan mijn broer.
Deze wist niet wat er gebeurde en slikte het, zonder te kauwen, in een keer door.
‘Dat kun je wel gebruiken. Zo te zien krijg je dat niet in het leger. Dat heb je wel nodig voor straks,’ zei mijn vader.
Ik begreep niet waarom hij nu ineens zo aardig deed tegen mijn broer. Afgelopen weekend waren ze nog met de grootste ruzie uit elkaar gegaan. Ze hadden geschreeuwd elkaar nooit meer te willen zien. Mijn broer had zich namelijk opgegeven om mee te vechten in de oorlog tegen Indonesië in Nieuw Guinea. Achteraf bleek dit niet waar te zijn. Hij had dit alleen gezegd om mijn vader op de kast te jagen.
Na mijn middagslaapje, ik heb dit heel mijn leven gedaan, liep ik naar beneden. Achter de deur van de ouderlijke slaapkamer hoorde ik gekreun en gesteun. Op dat ogenblik kwam mijn stiefmoeder uit een van de andere kamers op de overloop.
‘Wat hoor ik nu? Wie zijn er in jullie kamer? Wie zijn daar aan het zuchten en kreunen? Wat gebeurt daar?’
‘Niets bijzonders,’ lachte ze. ‘Je vader en je broer zijn even bezig.’
Het gesteun en gekreun werd luider.
‘Vreemd,’ zei ik nogmaals.
‘Echt niets bijzonders. Ga nu maar! Je moet bijtijds met de bus mee. Deze komt over vijf minuten. Als je niet opschiet mis je hem direct nog.’
De nacht daarop hoorde ik mijn broer aan de deur van mijn ouders kloppen.
‘Wat is er,’ hoorde ik mijn stiefmoeder bits roepen.
‘Ik heb pijn, erge pijn.’
‘Waar dan’
‘In mijn onderbuik en doe nu de deur open!’
‘Nee, dat kan niet,’ gilde mijn stiefmoeder. Wanneer ik de deur openmaak gaat de pijn echt niet weg. Je vader slaapt!
‘Dan is die nu wel wakker,’ riep mijn broer en bonsde met volle vuist op de deur. Het was een tijd stil in de slaapkamer, totdat ik de deur open hoorde gaan.
‘Wat is er,’ hoorde ik mijn vader brommend vragen.
‘Ik heb zo’n pijn. Ik denk dat het door vanmiddag komt.’
Mijn broer heeft zes weken met een zware ontsteking in bed gelegen. De dokter, een vriend van mijn vader, had hem antibiotica gegeven. Toen hij beter was en voor het eerst weer zou gaan hockeyen vroeg hij zich hardop af wat hij tegen zijn teamgenoten zou zeggen.
‘Ik zeg dat ik een ontsteking had in mijn buik. Wanneer ze dan vragen: waar precies? Dan zeg ik: in mijn onderbuik. Wanneer ze door blijven vragen zeg ik: ergens bij mijn darmen. Drie keer een verschillend antwoord op dezelfde vraag moet wel voldoende zijn. Dan weten ze nog niets. Bovendien heb ik dan niet eens gelogen,’ gniffelde hij en zichtbaar vergenoegd over zoveel slimmigheid kneep hij zijn ogen iets bij elkaar.
Mijn vader deed alsof zijn neus bloedde. Hij staarde naar buiten, richting tuin, en zei tegen mij dat ik morgen het gazon moest maaien.

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.