Hoofdstuk 18. Gewoon anorexia.

Op een gegeven ogenblik kwam, zonder dat ik het verwachtte, de kinderschaar van de burgemeester van een dorp uit de omgeving bij ons op bezoek. Mijn ouders bleven in de voorkamer naar de televisie kijken.
De dochter, Dorrith, kwam met een boek de eetkamer binnen dat ze op tafel legde. Zij vertelde dat haar vader jarenlang naar dit boek had gezocht. Uiteindelijk was hij er in geslaagd het bij een tweede hands boekwinkel in Amsterdam op de kop te tikken.
‘Jammer dat het in de Thaise taal is geschreven. In het Nederlands is het niet te koop. Kijk eens goed naar de afbeelding op de voorkaft. Het gezicht van die man lijkt op een monster.’
Op het moment dat ik over de afbeelding een vraag wilde stellen begon het gezicht te bewegen. Het nam duizenden gelaatsuitdrukkingen aan.
Ik sloeg achterover van verbazing.
Zij werden doodstil van mijn reactie, hapten naar adem en riepen in koor:
‘Hij ziet het en wij zien niets!’
Er kwam geen einde aan de veranderingen van het gezicht. Ik kon niet stil blijven zitten. Terwijl ik opstond zakte mijn broek omlaag. Ik kon hem nog juist omhoog houden voordat hij helemaal van mijn heupen gleed.
‘Hoe komt dat,’ vroeg Dorrith lachend.
‘Ik kan het niet helpen. Soms zakt mijn broek van mijn kont. Ik eet al een paar maanden niet meer. Sindsdien bewegen mijn heupen en lijken ze wel van rubber.’
‘Hoe kan dat nu? Niet eten en dan al zo lang. Je hebt toch voedsel nodig?’
‘Nee hoor,’ verzekerde ik haar. ‘Ik leef van het hemelse manna. Ik heb echt geen voedsel van deze aarde nodig. Af en toe eet ik een paar mariakoekjes. Dat is werkelijk alles.’
‘Hij wilt het niet weten. Het is gewoon anorexia,’ riep mijn broer.
‘Absoluut niet waar. Bovendien heeft Rietje, het dienstmeisje, mij vaak verteld dat ik als baby vrijwel al mijn eten uitspuugde.’
‘Kletskoek,’ zei mijn broer. ‘Soms verbazen wij er ons over dat hij niet erg mager wordt. Dat komt doordat hij geen zout naar binnen krijgt.’
‘Krijg je nog geen slaap,’ vroeg Dorrith.
‘Nee hoor.’
Ik maakte enkele danspasjes, waar ik, ondanks mijn mislukte voeten, erg bedreven in was.
‘Je hebt inmiddels wat van ons gekregen,’ vervolgde Dorrith. ‘Dat heb je niet gezien. Straks weet je niets meer, zodat ik nu van de gelegenheid gebruik maak om iets spannends over mij te vertellen.’
‘Kom maar op, dat wil ik wel horen.’
‘Ik zie er wel aardig uit en zo, maar dat is alleen de buitenkant. Van binnen ben ik totaal rot. Ik ben pas twaalf, maar ik neuk iedere nacht met mijn vader. Met mijn broers doe ik het ook wel eens. Die kunnen er duidelijk niets van. Met mijn vader is het veruit het lekkerste.’
‘Nee toch, wat leuk,’ riep ik.
Ik voelde mij met de minuut onverschilliger worden. Bovendien had ik er in die tijd geen flauw benul van wat het betekende. Van al dat gedans en praten kreeg ik droge lippen. Waarop ik mijn tong langs mijn lippen liet glijden.
‘Kijk, hij krijgt nu dorst. Dat is lang geleden. Sinds hij aanvoelt dat ik in het kraantje in de keuken vergif spuit drinkt hij nauwelijks meer water. Het kost mij nog mijn nachtrust. Echt vervelend. Nu wil je wel wat water zeker?’
Omdat ik inmiddels duizelig was geworden van het dansen zei ik: ‘ik neem even een slokje water in de keuken.’
‘Nee dat hoeft niet,’ zei mijn broer. ‘Ik ga het wel even voor je halen. Trouwens je kunt niet eens meer goed lopen. Wat ben je toch een lul!’
Even later kwam hij terug. Ik nam een slokje.
Het werd vrijwel onmiddellijk donker voor mijn ogen. Het laatste wat ik opving was, voordat ik de volgende ochtend op mijn rug met de dekens netjes onder de matras gestopt wakker werd, dat mijn broer vergenoegd zei:
‘Ik heb nog snel een extra dosis vergif in het glas met water gedaan. Ha, ha, wat was ik weer snel.’
’s Morgens bij het wakker worden vertelde ik mijn broer dat ik had gedroomd dat de kinderen van de burgemeester op bezoek waren geweest.
‘Ach idioot, je weet toch dat dromen bedrog zijn!’
Nadat de burgemeester was overleden is er in het dorp een straat naar hem vernoemd.

Vijf en veertig jaar later werd ik door Dorrith voor een zoveel jarige bruiloft uitgenodigd en droeg zij een speciaal kapsel. Het was gemodelleerd in een soort drollen van ieder vier centimeter in doorsnede. Er liepen meer van die dames in Den Bosch en omgeving rond met dit typische kapsel. Ik vermoed dat het om een kapsel gaat van hoge priesteressen van de Sonstral kerk die zich uitgeven voor christenen, maar in de tussentijd loslopende gifmengsters zijn.

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.