Hoofdstuk 19. Tsunami.
De conrector van de kostschool, St. Louis, versprak zich toen ik hem vroeg waarom dat ene knoopje, op borsthoogte, van zilver was. Alle andere knoopjes waren namelijk met zwarte stof bekleed.
‘Dat is om te laten zien dat wij Lombardijnen zijn.’
‘Wat bedoelt u met Lombardijnen?’
‘Wij klonen.’
Enkele weken geleden had ik in de biologieles gehoord dat het zelfs mogelijk was om jezelf in een steen te klonen. Mits je natuurlijk de juiste apparatuur had. Alleen zou je door de aanwezigheid van arsenicum en andere zware metalen langzamerhand vergiftigd worden.
‘Wat bedoelt u hier precies mee,’ vroeg ik zeer geïnteresseerd aan de conrector.‘Wat klonen jullie precies?’
‘Wij klonen mensen.’
‘Wat is dat nou! Hier ben ik fel op tegen. Dit is onmenselijk en druist tegen alles in! Bovendien wie bepaalt wat?’
De hele verdere dag was ik hier mee bezig. Kwaad vertelde ik aan iedereen wat ik gehoord had. Dezelfde dag kreeg ik tijdens het hockeyen een harde klap van een hockeystick tegen mijn scheenbeen. Na de wedstrijd zag ik dat het flink bloedde. In de avond, na het studie-uur, begon mijn been te kloppen en vroeg ik aan het studiehoofd of er iemand naar mijn wond kon kijken.
‘Ik help je even,’ zei hij, liep naar de toiletten en kwam even later terug met een doekje.
‘Dat is een vies doekje’
‘Nee hoor! Ik heb het zojuist onder de kraan met water schoongespoeld,’ zei hij en begon het bloed weg te deppen.
‘Waar is iedereen. Ik zie niemand.’
‘Weg met de bus. Straks komen zij weer terug. ’
‘Daar weet ik niets van.’
‘Dat komt doordat je hoge koorts hebt.’
Ik heb twee weken lang met een zware infectie op de ziekenzaal gelegen. Ik vergat het hele voorval over het klonen. Toen ik weer beter was werd ik er niet meer aan herinnerd. Ik zag het zilveren knoopje niet meer. In een van mijn dromen hoorde ik dat het knoopje wel degelijk aanwezig was. Ze hadden het op die plaats niet dichtgeknoopt. Alleen wanneer ze onder elkaar waren lieten zij het zien.
Zij waren er trots op dat zij kloonden.
2
Ik werd door de leraar de klas uitgestuurd en moest naar de rector. Ik meldde mij bij hem aan, vertelde dat de wiskunde leraar mij de klas had uitgestuurd en dat ik niet wist waarom. Hij beloofde met de leraar over het voorval te spreken.
De volgende dag moest ik weer op zijn kantoor komen. Hij vertelde mij dat het nogal duidelijk was. Ik was niet meer te handhaven op kostschool. En juist de wiskunde leraar die mij uit de klas had gestuurd was hoofd van mijn afdeling van de kostschool. Waarom ik nu niet meer te handhaven was weet ik tot op heden nog steeds niet. Ik kan mij wel herinneren dat ik een bijzondere plaats innam.
In die tijd was ik geregeld gedurende de nacht ziek. Ik lag te gillen van de pijn die ergens van heel diep beneden in mijn linkerzij kwam.
‘Je bent zeker vannacht weer ongesteld geweest,’ zeiden de jongens van de slaapzaal.
Ik werd op een bijzonder dieet gesteld. Het beste eten was nog niet goed genoeg voor mij. Gebakken aardappeltjes met biefstuk. De jongens om mij heen vertoonden duidelijk tekenen van afgunst. Hierdoor werd ik nog verder in een isolement geplaatst. Dit werd versterkt door mijn bovenmatige studieresultaten. Daarnaast was ik extreem goed in tafeltennissen en biljarten. In richtte een clubje van roulette spelers op. Wij mochten niet om geld spelen. Wij hadden echter afgesproken dat bepaalde kleuren fiches een geldbedrag vertegenwoordigden. In een later stadium verzilverden wij dit in het geheim. Ik was natuurlijk de bank en schraapte met gemak, voor die tijd, flinke sommen geld bij elkaar. De inmiddels ontstane kloof werd groter toen dat uitkwam.
De HBS, waar ook externe leerlingen opzaten, hoorde bij de kostschool. De rector van de HBS ging er akkoord mee dat ik, gezien mijn studie resultaten, als externe leerling, mocht blijven.
‘Ik kan er allemaal niets aan doen,’ zei de rector van de HBS. ‘Je moet wel je haar kort laten knippen anders moet je hier ook weg. En een andere school vinden, zal niet gemakkelijk zijn. Bij mij kun je niet terecht voor een aanbeveling bij een andere school als daarom gevraagd wordt.’
Ik ging in Roosendaal, vlakbij Oudenbosch, op kamers wonen bij een familie die van Nassau heette. Omdat ik die naam wel zeer toevallig vond ventileerde ik dat aan mijn hospita.
‘Hier praten wij in Roosendaal niet over. Het is een publiek geheim dat er veel families in Roosendaal zijn die zo heten.’
De leraar Duits vergeleek mij met de hoofdpersoon Felix Krull van het boek De Buddenbrooks, geschreven door Thomas Mann.
‘Die lijkt op jou,’ zei hij midden onder het voorlezen. ‘Zijn wenkbrauwen lopen ook door.’
Hij doelde op de decadentie en de streken van de jongen. De overgevoeligheid voor bepaalde zaken.
3
De juistheid van deze vergelijking bleek eveneens uit het psychologische rapport van de test die mijn ouders mij hadden laten ondergaan, omdat ze geen raad met mij wisten. Trouwens ik veranderde snel in die tijd. Men kon mij niet goed meer doorgronden. Van de eens zo onbezorgde en onbevangen jongen veranderde ik in een weloverwogen en zeer berekenend iemand. Daarnaast viel het niet in goede aarde dat ik literaire grootmeesters, zoals Franz Kafka, Dostojevski, Tolstoj en nog vele anderen las. Men vond dit absoluut niet normaal. Ik moest gesprekken voeren met psychiaters. Achteraf gezien merkwaardig. Het lezen van deze boeken heeft niets met leeftijd te maken. Russische kinderen krijgen deze boeken met de paplepel in gegoten.
Op kostschool had ik enkele vrienden. Van de een op de andere dag, alsof ik een besmettelijk ziekte had, lieten ze mij links liggen. Ik vraag mij nog steeds af wat al die paters over mij verteld hadden.
Hoe veranderlijk was de beoordeling van de paters die les gaven op de HBS.Voordat ik van kostschool werd gestuurd haalde ik goede cijfers. Vooral in de exacte vakken muntte ik uit. Vanaf het moment dat ik van kostschool was gestuurd kreeg ik gewoonweg onvoldoendes.
Na de derde operatie aan mijn voeten liep ik een half jaar lang op krukken. Mijn rechterbeen zat in het gips. Van die tijd kan ik mij herinneren dat ik bepaalde manies ontwikkelde. Ik kon er niet tegen als ik met mijn voet op een voeg stapte van de stoeptegels. Ik sloeg er altijd twee over, anders zou ik een ongeluk krijgen. Ik stak vooral niet de straat over wanneer ik een klok hoorde luiden, dan zou het faliekant mis met mij gaan. Als ik een rode auto voorbij zag rijden knikte ik met mijn hoofd naar links, dan weer snel naar rechts zodat mijn nekspieren kraakten. Ik denk dat indien ik een gelovige katholiek zou zijn geweest beslist een paar weesgegroetjes had gebeden. Gelukkig was ik hiervan verschoond.
Sommige weekends mocht ik naar huis. Op zondagmiddag moest ik meestal weer terug vanwege het verplichte studie-uur op zondagavond. Van Breda naar Oudenbosch reden geen treinen, zodat ik dit laatste stuk met de bus moest reizen. Op een gegeven ogenblik stopte de bus bij een halte. Op die plek was echter geen speciale invoeg strook. Ik zat aan de linkerkant. Aan de rechterkant stapte iemand uit en ik ging onmiddellijk op de leeg gekomen stoel zitten. Juist toen ik mij had geïnstalleerd werd de hele linkerkant van de bus als een sardineblikje open gescheurd.
Men zegt altijd dat je vlak voor je dood gaat heel je leven in een enkel ogenblik van tijd aan je voorbij trekt. Omdat dit niet gebeurde besefte ik opgelucht dat ik nog leefde.
4
Op de kartelige gescheurde zijkant lagen mensen zonder hoofden, zonder benen. Mijn overjas was besmeurd met pikkeltjes grijze hersenen vermengd met glasscherven. Het gekrijs van gewonde en stervende mensen moest wel een kilometer verderop te horen zijn. Later hoorde ik dat er in een enkele klap vijftien mensen waren omgekomen. Ik wist niet hoe snel ik uit de bus moest komen en voelde mij enorm schuldig toen ik over een vrouw zonder benen stapte. Zij keek mij doordringend aan keek en smeekte: ‘help mij dan toch, help mij dan toch.’ Ik sprong uit de bus, bracht mijn gezicht dicht bij dat van haar, zodat ze mij goed kon zien en riep: ‘kijk in mijn ogen, kijk in mijn ogen! Zo dadelijk komen er mensen om u te helpen.’ Om de bus heen was een enorme ravage ontstaan. Overal lagen mensen op straat. Sommigen lagen zelfs een tiental meter verderop, aan de andere kant van de weg. Ik raakte kompleet in paniek en kwam pas weer bij mijn positieven toen enige tijd later, het leken wel eeuwen, de politie en verscheidene ziekenauto’s aankwamen. Verdwaasd en tegelijkertijd gefascineerd liep ik van de ene gewonde naar de andere. Ik wilde helpen. Ik wist niet hoe. Twee jongens van kostschool zeiden tegen mij: ‘wij gaan verder, er komt nu een andere bus, we moeten op tijd op kostschool zijn, anders zwaait er wat.’
‘Gaan jullie maar vast,’ zei ik. ‘Ik kan mij hier niet van losmaken. Ik moet hier blijven.’
Ik ging weer naar de mevrouw zonder benen en hield haar hand vast, totdat ze in de ziekenauto lag en de deur dicht ging. Ik besloot pas om weg te gaan van de plek van onheil toen alle doden en gewonden weg waren.
Nog geheel verdoofd kwam ik op kostschool aan. Iedereen zat in de studiezaal. De wiskunde leraar zat op de verhoogde plek aan het hoofdeinde. Toen ik hem vertelde dat ik mij niet goed voelde vanwege een ongeluk zei hij: ‘ik zal je wel krijgen. Ik heb het verhaal over het ongeluk gehoord. Waarom ben je niet op tijd, net zoals die andere twee? Je krijgt een uitgestelde straf. Ik weet nog niet wat. Je merkt het vanzelf.’
Het voelde aan alsof ik degene was die het ongeluk had veroorzaakt. Ik vroeg mij af wat die andere twee jongens tegen de rector hadden gezegd. Ze durfden mij niet aan te kijken toen ik langs hun lessenaars liep, naar mijn eigen plekje in de studie zaal. Ik sloeg mijn studieboeken open. Er drong niets tot mij door.
Toen ik het weekend daarop thuis kwam bleek mijn vader alles over het ongeluk te weten.
‘Jij zegt tegen iedereen dat het erg mistig was. Dat was niet zo. De mist was rook veroorzaakt door de geweldige klap waarmee de vrachtauto de bus in kwam rijden.’
Vervolgens mompelde hij: ‘het is in opdracht van hem gebeurd.’
‘Wat bedoelt u?’
‘Dat kan ik niet zeggen. Het is een van de allerbelangrijkste mannen in Nederland.’
De weken daarop ging ik uiterst zorgvuldig met mijn manies om. Ik stapte absoluut niet op de voegen van de tegels. Luisterde goed voordat ik de straat over wilde steken of ik een kerkklok hoorde. Rode auto’s zag ik nauwelijks. Ik hield mij stipt aan mijn rituele gebaren.
5
Iedere week werd in tegenwoordigheid van de hele studieklas gecontroleerd of wij hadden gebiecht. Het hoofd van de kostschool riep dan je naam en dan moest men ja of nee zeggen. Ik wilde altijd wel ja zeggen. Ik dacht als ik lieg moet ik dat weer gaan biechten, wat ik toch niet deed en zei dus nee wanneer mijn naam werd omgeroepen. Na een maand vroeg hij aan mij waarom ik niet ging biechten.
‘Je moet toch wel iets op je kerfstok hebben? Zeg het gerust. Wanneer je gaat biechten krijg je absolutie en ben je weer een vrij man.’
Ja, dacht ik, kom nou! Wanneer ik zeg wat ik allemaal op mijn kerfstok heb slaap jij geen moment rustig meer. Kon hij weten dat ik degene was die een levensgroot Mariabeeld bij hem in bed had gelegd? Kon hij weten dat ik het grote heilig hart beeld van Jezus midden in de nacht bij de bushalte had gezet? Of moest ik biechten dat ik absoluut niet katholiek was?
Ik denk wanneer ik dit allemaal verteld had aan de priester, met zijn zogenaamde geheimhoudingsplicht, het verder verteld zou hebben. Ik had die rakkers echt wel in de gaten! Uiteindelijk zou de paus het horen. Dan was je nog niet jarig! Mij mooi niet gezien met dat biechten! En dan als penitentie nog twintig weesgegroetjes en tien rozenkransen afraffelen op mijn blote knieën? Ik keek wel mooi uit!
De wiskunde en natuurkunde lessen waren mijn hartstocht. Hier had ik mijn ziel aan verkocht.
De natuurkunde leraar heette de Nol.
Een van de meest interessante lessen die ik mij kan herinneren ging over de plaats van de noordpool.
Hij vertelde dat er een gek met hem had gesproken.
‘Nou ja, gek is niet het juiste woord. Hij zit hier immers op school,’ voegde hij er voorzichtig aan toe.
Deze jongen had hem, mede uit naam van wat andere lieden, advies gevraagd voor een plannetje. Een leuk plannetje om de plaats van de noordpool te veranderen. De Nol was gevraagd om uit te rekenen waar de nieuwe plaats van de noordpool zou moeten komen. De bedoeling was dat de aarde sneller zou gaan draaien. De dagen korter werden. Hierdoor zou de consumptie van iedereen met sprongen omhoog gaan. Hij vertelde dat na enkele kleine berekeningen de positie snel bepaald was. Zo ingewikkeld was het nu ook weer niet.
‘Het zijn gekken. Echt gekken die dit willen doen,’ herhaalde hij. ‘Ze zijn van plan om stalen schepen die anders naar de sloop moeten vol te laden met afgewerkt ijzererts van de Hoogovens. Op de berekende plaats worden ze dan tot zinken gebracht. Het levert in eerste instantie zelfs een aardige winst op. Voor de afvoer van de stalen schepen krijgen ze geld. Van de Hoogovens krijgen ze een lieve som voor de afvoer van het afgewerkt ijzererts. Misschien zijn tien van zulke schepen al instaat de oorspronkelijke plaats van de noordpool te veranderen. Ze gaan dit plan echt uitvoeren!’
Die Lombardijnen toch. Ingenieuze lieden!
6
Zo weet vrijwel iedereen tegenwoordig dat de aarde de laatste vijf en veertig jaar veel sneller is gaan draaien. De dagen aanzienlijk korter zijn geworden. En dat hierdoor de consumptie enorm is opgevoerd.
Een ander gevolg is dat de evenaar is verplaatst. Dit omdat de magnetische as tussen de noordpool en de zuidpool van plaats is veranderd. Op de meridiaan die over Bangkok loopt is de evenaar naar het noorden verplaatst. Hierdoor is het ijs van de noordpool aan het smelten.
Door de verschuiving van de evenaar naar het noorden zijn de middelpuntvliedende krachten naar het noorden verschoven. Op de evenaar zijn deze krachten het grootste.
Door het sneller draaien van de aarde zijn genoemde krachten aanzienlijk toe genomen.
Het meest zorgwekkende is dat de aarde in versneld tempo sneller is gaan draaien. Dit culmineert! De sterke toename en de verplaatsing van de middelpuntvliedende krachten heeft eind 2004 een inferno veroorzaakt.
De tsunami die aan minstens 230.000 mensen het leven heeft gekost!
Onlangs heb ik in een tijdschrift gelezen dat op deze plaats van de aarde, ver onder de oppervlakte, over een afstand van 1200 kilometer een aardlaag enkele tientallen meters omhoog is gekomen en bijzonder instabiel is geworden. Ik vraag mij wanhopig af wat er op korte termijn nog meer met de aarde gaat gebeuren!
Een ander bijkomend en funest gevolg is dat de brekingsindex van onze waarneming is veranderd. Waardoor de manier van waarneming van alle schepsels op onze aarde is veranderd.
Een simpel voorbeeld.
Toen ik nog op de HBS zat moest ik vaak een, zeer interessante, berekening uitvoeren betreffende de indexhoek van een stok, indien hij in het water wordt gestoken. De indexhoek is de hoek die een stok onder water maakt ten opzichte van die zelfde stok boven water.
Ik weet mij nog te herinneren dat mijn natuurkunde leraar de mogelijkheid opperde dat hij in de toekomst misschien wel helemaal niet meer onder water te zien zou zijn.
‘Dat lijkt mij onwaarschijnlijk,’ zei hij en was een moment stil. ‘Het zal ongetwijfeld de andere richting uit gaan.’
Enkele jaren geleden, in 2003, zag ik, toen ik een stok in het water stak, dat de index hoek vrijwel nihil is geworden. Misschien zelfs aan de andere kant ligt. Nog steeds lopen de rillingen over mijn rug wanneer ik denk aan datgene wat Eduard Douwes Dekker, Multatuli, heeft geschreven over Indonesië:
‘Een gordel van smaragd die zich om de kreeftskeerkring slingert.’
Nu vraagt u zich misschien af of ik niet zit te raaskallen. Nee, dat doe ik niet!
Hij heeft met zijn vooruitziende blik, zeer zeker, het woord kreeftskeerkring gebruikt. Door de honden is zijn oorspronkelijke tekst geraffineerd veranderd in het woord evenaar.
Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina
Casparus RH
December 2005. Copyright ©.