Hoofdstuk 21. Draak.

Reeds vroeg in de ochtend werd ik wakker op mijn studentenkamer in Tilburg. Ik ging rechtop in bed zitten. Ik besefte dat mijn lichaam aan het veranderen was. Niet dat dit de bedoeling was. Er sijpelde veel vocht via mijn gehemelte, langs mijn inmiddels veel langer geworden tanden, in mijn mond. Het ging uren lang door. Bakken vol vocht. In het begin kreeg ik last van mijn maag. Het vocht was zuur en bovendien erg heet. Ik ontdekte dat er uit een plekje in het midden van mijn gehemelte een andere vloeistofstof sijpelde. Hiermee kon ik het zure en hete sap, na enige oefening, mengen. Zo werd het geneutraliseerd en ging de pijn in mijn maag over. Tot de middag aanbrak bleef ik, met mijn hoofd rechtop, in bed liggen. Op een geven ogenblik had ik er genoeg van. Ik trok mijn kleren aan, liep naar beneden, sloeg de voordeur achter mij dicht en keek naar mijn fiets. Ach wat, dacht ik. Ik voel mij fit genoeg. Ik heb lang genoeg in mijn bed gelegen en ga lopend naar de markt om de krant te lezen en koffie te drinken. Het verbaasde mij dat ik totaal geen last had van mijn voeten. Anders moest ik altijd eerst even warmdraaien. Ik zette het zelfs op een spurtje. Mijn aandacht werd getrokken door de bovengrondse elektriciteitsleidingen op palen langs de stoep. Mijn kaken begonnen te klapperen. Hier had ik vaker last van. Alhoewel ik nooit zo goed begreep waarom. Mijn ogen gingen schichtig heen en weer, alsof zij bezig waren de energie van de elektriciteitsleidingen af te tappen.
Toen ik een straat verderop langs de winkel van de slager rende was ik inmiddels in de gedaante van een draak veranderd. De slager was juist bezig een karbonaadje van een stuk varken af te hakken. Aan zijn blik in de ogen was te zien dat hij iets vreemds waarnam. Niet precies zag wat. Zijn mond viel open van verbazing. Hij schoot op de openstaande deur af. Ik vertrouwde hem voor geen cent. Hij keek altijd vrij lullig omdat ik nooit bij hem naar binnen wipte om een stukje vlees te kopen. En zeker geen varkensvlees. Ik wilde niet dat hij mij zag en klom als een waanzinnige in de dichtstbijzijnde elektriciteitspaal. Op het moment dat ik een leiding in sprong veranderde mijn drakenlichaam in een klein stroompje. (Nu niet met zijn allen op de knieën vallen en gaan bidden. Vooral niet degenen die denken dat god een elektrisch stroompje is. Trouwens, het ziet er niet uit als iemand voor een elektrisch stroompje aan het bidden is.) Met een snelheid van ongeveer 400.000 kilometer per seconde, wat mij een enorme tijdwinst opleverde, vertrok ik naar de markt. Toen ik daar uit de leiding sprong veranderde ik weer in een draakje. Terwijl ik uit de paal klom en op de stoep belandde werd ik de oude zoals iedereen mij kent. Enkele meters verder op botste ik tegen een oudere heer die verschrikt riep: ‘waar komt u zo plotseling vandaan?’
Ik was in een jolige bui en zei lachend, terwijl ik achterom wees: ‘uit die paal natuurlijk.’
Hij keek mij onwezenlijk aan. Liep schuddend met zijn hoofd verder. Richting Koestraat.

2
Vanwege lunchtijd was er slechts een enkele plaats over op het zonnige terras. Ik bestelde een espresso en begon de krant te lezen. Dit lukte echter niet goed. Ik was te opgewonden van de recente gebeurtenissen. Het sap liep nog steeds vanuit mijn gehemelte in mijn mond. Bakken vol. Ik moest het herhaaldelijk doorslikken anders begon ik te kwijlen. Ik sprak mijn buurman aan. Overigens had ik hem nog nooit op een van de terrasjes gezien en ik moest dat weten. Ik kwam er, tot vervelens toe, iedere dag. Ik vertelde hem, op mijn bekende en enigszins overdreven enthousiaste manier, dat ik zojuist via een elektriciteitsleiding naar de markt was gekomen. Zonder er goed over na te denken, tegen beter weten in, sprak ik mijn mond gewoonweg voorbij. Ik besefte niet dat het totaal ongebruikelijk was om jezelf via een elektriciteitsleiding te vervoeren.
‘Kijk,’ zei ik. ‘Zie je die mijnheer de Koestraat in lopen? Hij heeft het gezien. Hij schrok wel toen hij mij zo ineens zag. Hij had het, denk ik, niet verwacht.’
‘Dat is frappant,’ zei hij. ‘Zo’n verhaal heb ik gisteren van iemand gehoord.’
Hij was van mijn leeftijd, alleen niet zo studentikoos als ik. Meer iemand die duidelijk op een net kantoor werkte. Ik luisterde niet naar hem en vervolgde: ‘ik heb geen koffie nodig. Ik heb absoluut geen dorst. Op de een of andere manier loopt mijn mond vol met een soort sap. Ik moet het wel goed bijmengen met een ander spul anders krijg ik het zuur. Het is gewoon te heet. Ik ben nu wel aan het roken, maar daar heb ik geen behoefte meer aan.’
Ik drukte de sigaret uit en zei:‘zo, dat is dat, ik stop ermee.’
Zijn ogen gingen bol staan, alsof hij ter plekke een allergische reactie kreeg vanwege het eten van pinda’s.
‘Ik heb gisteren een verhaal gelezen,’ zei hij, terwijl zijn stem oversloeg van opwinding. ‘Over een man die allerlei bijzondere dingen deed en waarvoor het oppassen geblazen was. Deze man zag alles anders dan anderen. Daarom is hij een gevaar voor de wereld. Onze toekomst zou wel eens op het spel kunnen staan. Jij zou die man wel eens kunnen zijn.’ ‘Een man,’ vroeg ik nieuwsgierig.
Verwonderd bekeek hij mij van beneden naar boven en weer van boven naar beneden en zei: ‘ja, jij bent een man!’
Hij sloeg zijn krant dicht en vervolgde zeer enthousiast: ‘en mijnheer, u drinkt drakenbloed! Er is niets gezonder dan dat! Ik weet het goed gemaakt. Ik ga iemand halen die gisteren over u heeft gesproken. Dit is toch wel heel erg bijzonder. Dat vindt u toch wel goed?
Zonder op mijn goedkeuring te wachten liep hij weg en zei: ‘ik kom zo meteen terug.’

3
Nu, nadat vele jaren verstreken zijn, denk ik dat het beter was geweest wanneer ik onmiddellijk via de elektriciteitskabels was terug gegaan. Dan was er niets aan de hand geweest. Kennelijk werd ik te zeer in mijn ijdelheid gestreeld. Vol verlangen om datgene wat mij was overkomen aan iemand anders te vertellen. Een van mijn grootste fouten.
Het moet hooguit vijf minuten geduurd hebben toen die kantoorman met een oudere heer van begin veertig terug kwam.
‘Zo, ik heb al het een en ander over je gehoord. Ik wil graag meer weten,’ zei hij en gaf mij een hand welke ik met tegenzin beantwoordde. Ik had er een hekel aan wanneer mensen mij aanraakten. Zodra hij een andere kant opkeek om een lege stoel te zoeken veegde ik mijn hand aan mijn broek af. Omdat het hele terras vol was stelde de heer voor op het terras, midden op de markt, te gaan zitten.
‘Jij hebt een spannend verhaal. Ik heb gehoord dat jij je in een draak hebt veranderd. Kan niet, hoe kom je erbij! Moet je ook nooit meer doen. Trouwens daar heb ik al voor gezorgd.’
‘Hoe bedoelt u, vroeg ik?’
‘Je hebt het niet gezien. Ik heb wat in je koffie gedaan waarvan je zojuist hebt gedronken. Zo te zien krijg je al slaap. Jij met je rare fratsen.’
‘Hoe heeft u dat gedaan? Ik heb niets gezien.’
‘Met mijn toverstokje,’ lachte hij. De koffie smaakt zeker weer? Steek nog een sigaret op! Je kunt beter naar huis gaan. Zo te zien val je bijna van je stoel. Kom met mij mee. Ik zal je een stuk op weg brengen.’
Gedwee liep ik achter hem aan. Hij leidde mij naar de paal waar ik als draak was uitgeklommen.
‘Kijk, die oude fiets kun je wel gebruiken om naar huis te gaan. Alleen duurt het aanmerkelijk langer dan via de leidingen.‘
‘Ja maar, die fiets kan ik niet pakken. De paal zit dwars door de fiets.’
‘Verrek,’ zei hij, krapte zijn kop en keek naar boven, naar de leidingen. ‘Waarschijnlijk kon het niet anders. Wacht ik zal je even helpen.’
Vliegensvlug pakte hij de fiets op. De herenstang ging dwars door de paal. Hij hielp mij op de fiets en gaf mij een zetje.
Toen ik wegfietste riep hij mij toe: ‘wij zullen iedereen in de stad waarschuwen. Overal waar jij komt zul je wat extra’s krijgen.’
Het duurde inderdaad een eeuwigheid voordat ik thuis was. Ik moet op de een of andere manier een dag gemist hebben. Het was de volgende dag zondag in plaats van zaterdag.

4
Er gebeurden in de week daarop meer merkwaardige en onverwachte gebeurtenissen waar ik geen goed zich op had.
Toen ik juist de tank van mijn bromfiets had volgepompt begonnen mijn kaken te klapperen, zoals een poes doet als hij een prooi op de korrel heeft en nog net niet kan pakken. Ik had mij moeten realiseren dat er weer iets vreemds zou gebeuren. Ik voelde mij enorm ondeugend worden. Zoals een draakje kan zijn. Vooral indien hij op een vervelende manier geprikkeld wordt door een stekeltje aan de binnenkant van zijn linker poot, vlakbij zijn oksel. Hier kunnen jonge draakjes erg veel last van hebben! Dit mag men beslist niet onderschatten.
Ik liep weg zonder de benzine en de sigaretten te betalen. Bij de deur griste ik een krant van een stapel. Daarna sprong ik op mijn bromfiets en reed in de wiedeweerga weg. Achter mij hoorde ik de baas van het station schreeuwend naar buiten komen. Mijn bromfiets was sneller dan zijn benen.
De dag erna werd ik door mijn huisbaas aangesproken die mij in zijn huis riep. Aan de keukentafel, zijn vrouw zat er ook bij, duwde hij de stadskrant onder mijn neus. Met een trillende wijsvinger wees hij naar een artikel.
‘Ben jij dat?’
Er stond een artikeltje op de voorpagina dat iemand bij een benzine station zich zaken had toegeëigend zonder ervoor te betalen. Omdat ik mij er niets van herinnerde ontkende ik het natuurlijk. Alhoewel ik wel enig gevoel van opwinding kreeg te verwerken toen hij riep: ‘jouw initialen staan er bij. Dat moet jij wel geweest zijn!’
‘Dat is toevallig, het zijn wel mijn initialen, maar ik doe zoiets niet. Ben je gek zeg. Hoe komt u daar bij!’
‘Wij horen dat je meer op je kerfstok hebt,’ zei zijn vrouw schamper. ‘En waarom ga je hier nooit naar het toilet?’
‘Ik doe het altijd bij anderen,‘ zei ik iets opgewekter, omdat zij van onderwerp veranderde.
‘Ja maar, je gaat hier nooit of te nimmer.’
‘Dat hoeft niet. Ik doe het altijd bij anderen,’ herhaalde ik weer, terwijl ik dacht aan Liszt, de violist. Toen de keizer aan hem vroeg of hij hetzelfde stuk opnieuw wilde spelen antwoordde hij resoluut: ‘nee!’
Ik kreeg wel het onbehaaglijke gevoel of ze wisten, misschien hadden ze het wel eens geroken, dat ik altijd in een krant op de aanrechtbak in mijn keukentje mijn behoefte deed. Ik had gewoon geen zin om bij hen naar het toilet te gaan. Deze was in de keuken. Waar ze altijd zaten. Zodat ze ieder geluid op het toilet konden horen. Misschien was ik wel eens vergeten de krant goed in te pakken, schoot erdoor mijn hoofd. Ik besloot de volgende keer het goed in te pakken, het in een plasticzak te doen en deze onmiddellijk bij het vuilnis buiten, een paar straten verder waar ze mij niet zouden herkennen, te deponeren. Pissen kan dus wel zonder problemen in die aanrechtbak, dacht ik, altijd wel goed na naspoelen.

5
Na een week werd mij de huur opgezegd. De huisbaas vond dat toch beter gezien alle wilde verhalen en geruchten die over mij de ronde deden. Ik vertelde hem dat hij zich niet zo druk hoefde te maken. Wat ik zei, hoeveel zijwegen en andere onderwerpen ik aansneed, hij bleef onvermurwbaar. Echt een Tilburgse kruikenzeiker.
Daarop pakte ik mijn biezen en huurde een mooie bovenverdieping in een huis op de WO Laan in Den Bosch. Ik had wel geen cent te makken, maar ik kon de huisbazin overtuigen dat het geen enkel probleem was. Het kwam wel goed met het geld. Bovendien vertelde ik haar dat ik van die en van die was. Mijn vader zei altijd dat indien ik wat wilde bereiken, ik moest zeggen dat ik van die en van die was. Dan ging men wel overstag. Zo gebeurde het eveneens met deze mevrouw.
De eerste nacht sliep ik, in mijn lange zwarte winterjas, op een oude matras die ik van mijn hospita had geleend. Midden in de nacht verscheen er een oudere heer. Hij vertelde dat hij speciaal voor mij even uit Thailand was overgekomen. ‘Slaap rustig verder,’zei hij vervolgens.
Ik geloofde hem niet. Van uitputting viel ik weer in slaap.
De volgende dag was mijn verdieping gemeubileerd met antieke meubels uit Thailand en hingen er schilderijen van oude meesters aan de wand. Het mooiste schilderij was in 3D geschilderd. Op het moment dat ik er naar keek zat ik in een van de tempels op de voorgrond. Voor mij stonden tientallen westers geklede mensen naar een enorme lotus te kijken die uit de snelstromende breed-water rivier op rees. Aan de andere kant van de rivier strekte zich een stad uit. Ik vond het prettig om vanuit mijn tempel naar de stad te kijken. Meer niet. Ik kwam er niet graag. Misschien om een candybar te kopen. Of mariakoekjes op een woensdag middag. Verder zag ik het nut er niet van in. Veel te druk. Vieze lucht. Ik was meer een buitenmens. Hield van de stilte.
Op de een of andere manier had ik meer dan voldoende geld, zodat ik de huur kon betalen. Eten deed ik nauwelijks. De volgende nacht kreeg ik weer die verschijning. Hij begon opnieuw enkele schilderijen aan de wand te hangen. Daarnaast had hij een Thaise kast met daarin een bed bij zich. Zodat ik niet meer op de grond op een matras hoefde te slapen.
‘Ach hou toch op. Verder niets meer brengen,’ klaagde ik. ‘Direct wordt het nog zo vol dat ik hier niet meer kan lopen en ik ben al zo moeilijk ter voet.’
‘Ja, we zullen wel zien. Jij hebt zoveel. Wij weten er ook geen goed raad mee.’
‘Ik wil nog wel graag een piano hebben. Die kan hier nog net staan.’

6
Ondanks dat ik geen noot kon lezen bleek ik een virtuoos te zijn. Ik kreeg alle complimenten van mijn beneden buurvrouw. Toen ik eens de voordeur uit liep kwam zij toevallig ook naar buiten. Zij keek naar mijn handen en zei:‘mijnheer, wat kunt gij toch mooi piano spelen! Wat hebt gij mooie handen!’
‘Het gaat wel mevrouw.’
‘Uw piano spel is zo zacht, zo teder, nauwelijks hoorbaar en klinkt enorm ijl.’
‘Ik hoop dat ik u er niet mee stoor, dat het niet te luid is.’
‘Nee hoor. Integendeel. Ik word er zeer rustig van en val dan in slaap. En wat bent gij nog jong! Waar haalt gij het allemaal vandaan?’
Uiteindelijk kwam mijn kamer zo vol te staan dat ik besloot eveneens een appartement in Brussel te huren waar ik mijn kunstvoorwerpen verder kon uitstallen. Bovendien stelde de afstand niet zo veel voor. Met een snelheid van minstens 400.000 kilometer per seconde, via de elektriciteitsleidingen, was ik er in een wip.
Ik vond Brussel een schitterende stad. Alhoewel de regeerders met stropdassen en in de ochtend door hun butlers glad gestreken gezichten en kranten mij niet aanstonden.
Inmiddels had ik in een droom gehoord dat iemand uit Nederland, met een hoge adellijke titel, voor de Adelborsten in Den Helder een spannende prijsvraag had uitgeschreven. Degene van hen die het draakje in mij te pakken zou krijgen zou uiteindelijk commandant van een onderzeeër, de nationale trots, worden.
Ik kreeg vaak bezoek van mensen die dachten dat er bij mij wel wat te halen viel. Het was een komen en gaan van vrienden.
Iedereen wist dat ik geen druppel wijn of andere alcoholische versnaperingen dronk. Ene Mariecke van Nimweghen en ene Joris Bordeaux, wiens moeder een nicht was van mijn moeder, is het na lang aandringen toch gelukt mij een bodempje wijn te laten drinken. Van een fles die ze hadden gekregen van een gerenommeerd wijnhuis uit Den Bosch. Nadat deze twee onverlaten naar huis waren vertrokken kwam de man uit Thailand weer bij mij op bezoek. Hij gaf mij een witte steen van ongeveer 10 x 10 centimeter. Toen hij weg was nam ik een stuk schuurpapier en begon, in het wilde weg, met de hand, te schuren. Binnen enkele uren was de steen veranderd in een zittende man die een kip voor zijn borst houdt. Later, vele jaren later, om precies te zijn in het jaar 2004, zag ik dit beeldje in Thailand terug op de voorpagina van een kunst catalogus. Er stond bij vermeld dat het om een zeer bijzonder beeldje uit de 13e eeuw, of nog ouder ging. Dit is beslist niet waar en duidt op iemand met een slecht en leugenachtig gesternte. Ik heb dit beeldje immers zelf gemaakt.
De volgende ochtend werd er aan de voordeur gebeld. Het was Mariecke die zich de hele nacht zorgen had gemaakt, omdat ik een bodempje wijn had gedronken. Ik vertelde haar dat ik prima had geslapen en nodigde haar uit om mee naar mijn kamer te gaan. Daar liet ik trots het beeldje zien dat ik had gemaakt.
‘Dat is schitterend! Hoe heb je het gemaakt?’
‘Met schuurpapier.’
‘Waar is dan het slijpsel gebleven? Ik zie helemaal niets.’
Ik vond het zelf ook vreemd dat er geen slijpsel van de steen aanwezig was. Hoe ik mij daar uit heb gedraaid weet ik niet meer.

7
In die tijd vervoerde ik mij altijd en overal per elektriciteitsleiding. Gewoon erg gemakkelijk en ongelooflijk snel. Bovendien geen giftige uitlaatgassen. Mariecke maakte zich daar altijd zorgen over. Ze opperde dat men dit wel erg vreemd vond. Ik sloeg haar waarschuwing volledig in de wind, want, zo zei ik bij herhaling: ‘men heeft dit nu al vaak genoeg gezien. Het is geen nieuws meer en iedereen weet nu zo langzamerhand dat ik dit doe.’
Ik zag wel vaak een bedrijfsauto voor de deur staan van een elektra bedrijf uit Nijmegen. Met de bedrijfsnaam Zwaan. Ik had deze auto al veel vaker gesignaleerd, maar bekommerde mij er niet zo om. Ook niet toen, bij herhaling, iemand van dat bedrijf in de elektriciteitskast van het huis waar ik woonde aan het sleutelen was.
Toen Mariecke en ik de trap af liepen, om naar buiten te gaan, zei ze plotseling:
‘Probeer het toch eens een keer.’
‘Wat bedoel je?’
‘In plaats van buiten in een paal te klimmen en daarna in een leiding te springen gewoon direct via de meterkast.’
‘Je weet dat ik dat liever niet doe. Ik weet niet of ik wel in een goede leiding stap en buiten zie ik dat onmiddellijk.’
‘Doe het gewoon eens. Proberen kan geen kwaad.’
Ik denk dat het door de wijn kwam. Nee, nu achteraf weet ik het wel zeker. Ik sloeg mijn gevoel voor gevaar volkomen in de wind. Ik opende de deur van de meterkast. Veranderde in een draakje en schoot in de kast. Op het moment dat ik in een leiding wilde springen werd de meterkast dicht geslagen en begon Mariecke opgewonden te schreeuwen: ‘ik heb hem, ik heb hem!’
Ter nagedachtenis van deze slimme zet is er in het plantsoen van de WO Laan in Den Bosch een standbeeld opgericht van St. Joris en de Draak. Dit kunstwerk is nog steeds te bewonderen. Daarnaast zijn er in veel katholieke kerken gebrandschilderde ramen aan te treffen van St. Joris en de Draak. De adelborst (een zoon van de eigenaar van het elektrabedrijf) die de prijsvraag had gewonnen is uiteindelijk commandant op een onderzeer, de nationale trots, geworden. Joris en Mariecke mochten op een universiteit gaan studeren. De vader van Mariecke, die zijn dochter volledig aanstuurde, heeft zonder mijn toestemming, tot op heden, mijn buitenhuisje aan een dijk in Zeeland in beslag genomen. En ik werd in een zwarte koffer met de letters RH voorlopig in bewaring gesteld op de onderzeeër. Een kooi van Faraday, de meest perfecte manier om een elektrische lading te isoleren.
Hoe het verder met het draakje is afgelopen weet ik niet. Eens zal ik hier achterkomen. Uiteindelijk werd ik, in ieder geval in mijn oude gedaante, weer thuis bij mijn ouders afgeleverd.

8
Op een gegeven ogenblik lag er, toen ik van school thuis kwam, een boek op de eettafel. Ik sloeg het open en zag dat er geen woord, geen letter, instond.
Het boek zonder letters!
Voordat ik ging slapen keek ik er nog eens in. Ik kon het beslist niet geloven. Bovendien zag ik aan de kaft en aan het papier dat het reeds vele malen gelezen was.
Lezen was mijn passie. Kranten geloofde ik niet zo. Ik betrapte mij er keer op keer op dat ik de meest vreemde verhalen in de krant aantrof. Indien ik mijn familie op de bijzondere inhoud wees bleek dat zij, merkwaardig genoeg, altijd iets anders lazen. Vooral de weersverwachtingen klopten nooit. Hier, in dit boek, stond werkelijk geen letter in. Ik dacht bij mezelf: wel leuk zo’n boek waar niets in staat, noch nooit meegemaakt!
Gewoonte getrouw stopte ik, voordat ik ging slapen, alle boeken die ik aan het lezen was onder mijn hoofdkussen. Ik had gehoord dat wanneer je dat deed de volgende ochtend alle teksten in je hoofd zaten. Zo deed ik dit ook met het boek zonder letters. Meteen toen ik wakker werd griste ik het boek onder het kussen vandaan en sloeg het open. Verwondering alom!
Vol met letters!
Ik begon opgewonden te lezen. Al snel was ik diep onder de indruk van het verhaal. Het ging over een man die celibatair in Londen leefde. Hij woonde in een mooi huis tegenover Hyde Park. Zijn leven kon niet beter. Hij werkte voor zich zelf. Hij had niemand nodig. Hij was bovenmatig succesvol als uitvinder en werd als een genie beschouwt. Hij woonde in een soort drive-in woning. De garage beneden had hij verbouwd tot een werkplaats. Hier hield hij zich, meestal tot diep in de nacht, bezig zijn merkwaardige invallen en ideeën om te zetten in uitvindingen waarvan later massaproducten werden gemaakt. De nacht daarop droomde ik over deze man. In mijn droom was ik die man geworden. Alle zintuiglijke waarnemingen, gedachtes en gevoelens van deze man had ik. Ieder onderscheid was verdwenen. Op zaterdag maakte de uitvinder meestal een flinke wandeling in het park tegenover zijn huis. In dat park ontmoette hij een man waarmee hij in gesprek raakte. Het bleek dat hij enkele huizen verderop woonde. Gaandeweg leerde de uitvinder de rest van de familie kennen. Van andere mensen uit de straat hoorde hij dat het om een zeer gerespecteerde joodse familie ging. Iedere zaterdag gingen zij getrouw naar de synagoge. Enkele zaterdagen daarna zag de uitvinder hem op een bankje in Hyde Park bedrukt voor zich uit staren. Hij vroeg aan de joodse man of hij hem kon helpen.

9
‘Ik heb zakelijke problemen. Ik zit, zeg dat gerust, diep in de problemen. Zo erg dat ik onvermijdelijk failliet ga. De bank heeft inmiddels al mijn kredieten opgezegd.’
‘In wat voor zaken zit u?’
‘Ik doe in commodities.’
‘Dat is een schitterend woord! Commodities! Wat is dat?’
‘Mijn kantoor koopt overal ter wereld grondstoffen op. In mijn geval gaat om agrarische producten. Wij laten die dan in zeecontainers verschepen en verkopen het dan zo snel mogelijk aan fabrikanten in levensmiddelen.’
‘Om welke producten gaat het?’
‘Essentiële oliën, honing, noten, sesamzaad, noem maar op, dat soort producten. Wij zijn inmiddels uitgegroeid tot een van de grootste handelshuizen in Londen. Misschien wel van heel Europa. Nu gaat het volkomen mis.’
‘Misschien kan ik u uit de brand helpen?
Het gezicht van de zakenman klaarde zienderogen op en zij maakten voor de komende maandag een afspraak om de financiële voorwaarden te bespreken. Die dag kwamen zij tot overeenstemming. De belangrijkste voorwaarde was dat het geen onderhandse transactie zou worden. Dat alles officieel, onder andere met medeweten van de bank, zou verlopen.
Nadat de deal was gesloten nodigde de zakenman de uitvinder uit een glas wijn bij hem thuis te komen drinken. Daar zei de joodse mijnheer tegen de uitvinder dat deze het verder, letterlijk en figuurlijk, kon vergeten.
‘U heeft nu deze wijn gedronken. U bent nu in mijn macht. U gaat deze transactie vergeten. Daar zal ik voor zorgen!’

Het kan raar lopen in het leven. Erg raar, mag je wel zeggen.
Dertig jaar later kwam ik zijn zoon tegen. Hij gaf een borrel bij hem thuis voor zakelijke relaties. Hij woonde in zijn ouderlijk huis. Toen ik binnen kwam stelde hij zijn vrouw aan mij voor. Daarop stormden zijn kinderen op mij af en noemden mij oom.
Deze begroeting heb ik jarenlang niet kunnen begrijpen. Totdat mij afgelopen jaar in Thailand duidelijk werd dat ik wel eens die man kan, die uitvinder kon zijn. Ik heb er tot nu toe slechts een enkele verklaring voor gevonden. Dat is dat deze man een afgesplitste identiteit van mij is. Dat in feite de uitvinder en ik een en hetzelfde individu zijn.
De zoon, handelaar in commodities net zoals zijn vader, is eveneens een wolf in schaapskleren.

10
Ik kan mij nu ook herinneren hoe ik destijds in Londen verzeild ben geraakt. Op de  een of andere manier heb ik, na allerlei vervelende toestanden in mijn ouderlijk huis, weer het heft over mijn leven in eigen handen gekregen.
Ik hoorde dat er ten noorden van Den Bosch, vlak onder de Maas, een mooi kasteeltje te huur stond. Omdat mij dit wel iets leek ging ik naar het kasteeltje en raakte in gesprek met de eigenaar. Mijnheer Geur was glazenier, zodat hij bij de mensen naar binnen kon gluren. Daarnaast was hij de plaatselijke veldwachter, zodat hij onmiddellijk kon ingrijpen. Het kasteeltje fascineerde mij. Ook de naam ervan. Het was de naam van een mystiek wezen. Het lijkt op een paard en heeft een hoorn van een meter lang op zijn hoofd.
Wij kwamen de huurprijs en de condities overeen. Toen ik enkele dagen later terug kwam om het huurcontract te ondertekenen zei hij tegen mij: ‘ja, je mag dan wel een talentvol iemand zijn met veel geld, maar je bent jonger dan 18 jaar en daarom mag je geen contract ondertekenen.’
Ik stelde hem voor om het dan zonder huurcontract te huren. Ik vroeg hem om enige bedenktijd. Die nacht hoorde ik een stem in mijn slaap die mij waarschuwde daar absoluut niet zonder contract te gaan wonen. Ik kon het beter kopen en de stem gaf mij enkele adviezen aangaande een constructie voor het kopen van het huis. Het was een zeer handige en bijzondere constructie en hield verband met de ruilverkaveling. Ik zou wel in officiële documenten die verband hielden met de ruilverkaveling met naam en toenaam genoemd worden, maar dat interesseerde mij niet zo. Het belangrijkste was dat ik, ongeacht het feit dat ik jonger was dan achttien jaar, het kasteel toch op mijn naam kon verwerven. Ik ging terug naar de veldwachter en stelde voor het kasteeltje onder mijn condities te kopen. Hiermee ging hij grif akkoord en werd ik, nog zeer jong, de trotse eigenaar van een mooi kasteeltje vlak boven Den Bosch.
Het werd leeg afgeleverd. In een enkele nacht timmerde ik alle meubels. Wat de vormgeving betreft liet ik mij inspireren door de sprookjesachtige bouw van het zeer oude kasteeltje. De meubels waren niet echt mooi, maar ze pasten goed bij de vormgeving, de afmetingen van de kamers.
Mijn kasteeltje was op een terp gebouwd. In die tijd trad de Maas gedurende hevige regenval in de winter nog wel eens buiten zijn oevers, zodat de hele omgeving overstroomde.
Het huis er naast leek op een fort en werd omgeven door een hoge dijk. Omdat ik nieuwsgierig was wie de bewoners waren ging ik mij na enkele dagen aan hen voorstellen. Het was een kinderrijke familie. De vrouw des huizes was de dochter van een Bossche bankier. De familie naam prijkt nog steeds op een bank in Den Bosch.

11
Na enige tijd leerde ik bij hen een zekere heer Garage kennen. Niet te verwarren met van Garage, of de Garage, maar gewoon Garage. Hij vertelde mij dat hij, gezien zijn werkzaamheden, veel in Ethiopië was. Vaak bij keizer Haile Selasie.Op een gegeven ogenblik gaf hij mij een cadeau. Ik was er verguld mee. Het was een timmermanswinkelhaak die hij van iemand aan het hof van Haile Selasie had gekregen. Het was werkelijk een juweeltje. Een stuk precisie gereedschap. Toen ik hem daarop uitnodigde om mijn werkplaats in de kelder van het kasteeltje te komen bekijken ging hij direct met mij mee. Daar adviseerde hij mij om boven de werkbank een rek te maken waaraan ik al mijn gereedschappen kon hangen. Inclusief de winkelhaak. Zodat alles voor het grijpen was.
Enkele dagen later is er iets faliekant mis gegaan. Het werd het erg donker voor mijn ogen. Toen ik enigszins bij mijn positieven kwam hoorde ik de stem van Geur en die van Garage.
‘Ja,’ zei Geur. ‘Je bent weer het haasje. Ik ben veldwachter geworden omdat ik op die manier alles hoor. Indien mij iets niet bevalt ga ik er op af en maak korte metten. Ik ben familie van een zekere Romanov. De verkeerde kant dan. Men noemt hem ook wel Dracula. Mijnheer Garage heeft jou een winkelhaak gegeven met elektroden erin die elektromagnetische golven opwekken. In de wijn die jij zojuist hebt gedronken zat gif. Je bent bewusteloos geweest. Wij nemen nu voorgoed afscheid van jou.’
Daarop bonden zij een doek voor mijn ogen en wierpen mij in de put van de kelder. Terwijl ik naar beneden tuimelde veranderde ik in een rat en viel op de lekker zachte ruggen van de andere ratten.
‘Ah,’ zei een grote rat. ‘U bent daar eindelijk. Wij hadden u al verwacht.’
Het was duidelijk te zien dat hij de hoofdrat was. Echt een alfa type. Hij rook sterk naar serotonine.
‘Die honden daarboven denken dat wij niet uit deze put kunnen. Al sinds jaar en dag hebben wij enkele tunnels naar buiten gegraven. Wij zullen u begeleiden.’
Op straat stonden enkele andere ratten, bij een auto met draaiende motor, op mij te wachten. Wij kropen onder de motorkap, waar het lekker warm was.
Ik vroeg waar de reis naartoe ging: ‘naar Parijs toch zeker?’
‘Nee, dat is niet verstandig met al die wijn daar in het eten. Londen is veel beter voor u.’
Een dag later kwamen wij daar aan en kreeg ik een Engels paspoort. Ik aanvaarde een mooi huis tegenover het Hyde Park en hier begint het verhaal, de gebeurtenissen, over de uitvinder dat ik in het boek zonder letters had gelezen.

12
Destijds, toen op het kasteeltje woonde, had ik een zeilboot, een Nienke, gekocht bij een werf in Delfzijl. Ik had de boot dezelfde naam, het equivalent ervan, gegeven als de naam van mijn kasteeltje.
Eind jaren zeventig werd ik hieraan herinnerd in een droom. In die droom kreeg ik de instructie de boot, door de werf waar ik hem had gekocht, op te laten knappen. Dit omdat ik hem jaren niet had gebruikt en totaal verwaarloosd was. Daarna moest ik hem afmeren bij een steiger vlak bij een brug en overdragen aan iemand anders. Het werd mij verboden over geld te praten. Bovendien moest ik mij als tandarts uitgeven.
‘Deze persoon, een zoon van een huisarts uit Heereveen, heeft ons een dienst bewezen en als beloning geven wij hem deze boot.’

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.