AMSTERDAMSE PERIODE

Hoofdstuk 22. Naar Amsterdam.

Voordat ik in Amsterdam ging wonen heb ik eerst nog een jaar economie, in Tilburg, gestudeerd. Nou ja, studeren. Ik zat alleen in de kroeg. Ik heb eenmaal college gevolgd.
Nadat de hoogleraar zijn college opende met de woorden: ‘indien je nu links en rechts van je kijkt dan zijn deze personen er niet meer aan het eind van dit jaar,’ stopte ik mijn pen in mijn colbert, sloeg mijn aantekenschrift dicht en verliet het lokaal. Niet dat ik zo snel de moed opgeef, maar ik vond mijn vriendin uit Tilburg en het navenante kroegleven vele malen aangenamer. En om nu een heel jaar in de collegebanken te verlummelen, daar had ik absoluut geen zin in.
Mijn vriendin heette Ingrid. Net zoals de vrouw waarmee ik vele jaren later zou trouwen.
Toen mijn studie in Tilburg niets uithaalde hoorde dit mijn vader op een gegeven ogenblik. Na een gesprek met hem kon ik hem vermurwen mij nog een laatste kans te geven
Op naar Amsterdam!
Al in het begin veranderde ik mijn bijnaam Cappy in de naam Caspar. In mijn paspoort staat de naam Casparus vermeld.
Daar begon ik werkelijk hard te studeren en had mij zeer degelijk voorbereid voor het propedeutisch examen. Toen ik in de zaal kwam waar het examen werd afgenomen werd ik niet toegelaten, omdat ik mij niet had ingeschreven. Wat mij verbaasde. Enkele maanden daarvoor was ik naar het Maagdenhuis geweest. Hier had ik mij voor het examen willen inschrijven. Men verzekerde mij dat dit niet nodig was. Als eerstejaars werd je automatisch toegelaten. Dit werd met de grootste stelligheid beweerd.
Toen gaf ik er voorgoed de brui aan. Ik ging aan de deur abonnementen van tijdschriften verkopen. Voornamelijk in de Goudkust van Amsterdam. Dit ging goed. Ik kwam gemakkelijk over bij de mensen die daar woonden. Ik deed of zij oude bekenden van mij waren, waardoor ze snel overstag gingen en een abonnement afsloten. Op een woensdagmiddag verdiende ik genoeg om ruimschoots de week door te komen.
Na enkele maanden kwam Ingrid naar Amsterdam en trok bij mij in op de Overtoom waar ik inmiddels een mooi huis met tuin had. In de weekends stroopten we alle feesten, alle cafés en nachtclubs af.
Verslaafdheid aan het nachtleven. Veel Slauerhoff.

2
Door de week verslond ik boeken. In die tijd waren er weinig goede TV programma’s. Alles nog zwart wit. Ik had twee televisies. Een voor het geluid. De ander voor het beeld.
Daarnaast hielp ik mijn vriendin, overigens tegen wil en dank, bij haar studie Zweeds aan de Universiteit van Amsterdam.
Ingrid wilde nooit mee naar mijn ouderlijk huis. In Tilburg deden de meest vreemde verhalen over mijn familie de ronde.
‘Als ik bij jou thuis kom dan vermoord jouw vader mij.’
‘Waarom?’
‘Je komt uit een typische familie. Enkele jaren voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zijn er enkele vreemde families in Tilburg neergestreken. Het zijn Lombardijnen. Mijn familie en velen uit Tilburg vinden het zeer gevaarlijke mensen. Zij hebben veel op hun kerfstok.’
Toen wij eens met Kerstmis door haar ouders voor het diner werden uitgenodigd, werd ik in het begin nauwkeurig en bij voortduring door haar vader gade geslagen. Op het moment dat hij een glas wijn voor mij inschonk legde hij zijn hand op mijn schouders. Daarna ging hij op zijn stoel ging zitten en vroeg onze aandacht.
‘Ik houd niet van al die officiële plichtplegingen, maar ik wil toch enige zaken aanroeren. Zoals je gemerkt hebt, heb ik je voortdurend zitten te bestuderen. Jij bent beslist niet uit hetzelfde hout gesneden als je vader. Ik ga er zelfs van uit dat jij niet uit dat nest komt. Gelukkig voor jou. Ik wil hier verder niet op ingaan. Eens zal de tijd aanbreken dat je het allemaal zelf zult ontdekken. Je moest eens weten wat je vader, vlak voor het uitbreken van de oorlog, heeft misdreven. Nadat ik de misdaden van je vader ontdekt had, heb ik lang getwijfeld of ik hem moest aangeven of niet. Op een gegeven ogenblik kon ik niet om mijn geweten heen en heb hem aangegeven. Wat de Duitsers toen allemaal met hem gedaan hebben weet ik niet. Ik neem aan dat het niet mals was. Jammer genoeg konden zij de bewijzen niet hard maken. Wees blij dat je niet uit dat nest komt. Je moet er wel mee leven. Ik zit misschien ook niet zo jofel in elkaar. Het zakenleven vraagt nu eenmaal een tol. Ik heb duidelijk mijn streken en ben beducht voor mijn sluwheid. Iemand echt kwaad aandoen heb ik nog nooit gedaan. Ik kan dat met een gerust hart zeggen. Hooguit wat gerommel in de marge. Nogmaals, het is vrijwel onvermijdelijk als je in het zakenleven zit. Men kan het beter sluwheid noemen. Bovendien word je wel gedwongen met de stroom mee te roeien. Anders val je buiten de boot. Dan kan ik geen boterhammetjes meer kopen. Voor mijn vrouw een nieuwe jurk en een hoedje. En voor het weekend een glas wijn en een biefstukje.’
Ik trok mij weinig aan van zijn woorden. Zij gleden van mijn rug af.
Ik kwam ook nauwelijks meer bij mijn ouders.
Ik voelde mij daar niet op mijn gemak.
In de loop van de jaren dat Ingrid en ik een relatie hadden kwam haar broer voor enkele weken bij ons wonen. Het grootste gedeelte van de tijd bracht hij huilend door.
‘Wat voor problemen heeft jouw broer?’
‘Hij zit erg over jou in. Hij heeft veel over jou gehoord.’
‘Wat heeft hij gehoord?’
‘Dat wil hij niet vertellen. Hij is bang voor repercussies van jou familie. Het is te erg voor woorden.’
In de loop van de jaren zijn deze voorvallen totaal uit mijn geheugen verdwenen.

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.