Hoofdstuk 23. Donkere kamer.
Als jongen van een jaar of zestien begon ik mij enorm te interesseren voor fotografie.
Van het geld dat ik tijdens verjaardagen van tantes en ooms op mijn spaarrekening gestort had gekregen schafte ik alle benodigde apparatuur aan voor een donkere kamer. Inclusief een vergrotingstoestel. Alles zwart wit.
Kleurenfoto’s waren er nog niet. Ik bracht hele weekenden door in de donkere kamer. Deze had ik in een kast van mijn ouderlijk huis gebouwd.
Toen ik eenmaal in Amsterdam woonde kwam ik vrijwel nooit meer thuis. Ik had er totaal geen behoefte aan om mijn stiefmoeder en vader nog te zien of te spreken. Mijn vader belde wel eens op om te vragen hoe het met mij ging en een keertje lukte het hem mij over te halen om voor een weekend naar huis te komen. Direct toen ik thuis kwam rende ik naar boven. Naar de donkere kamer. Tot mijn ontsteltenis was hij leeg. Ik rende naar beneden waar mijn ouders in de voorkamer zaten. Ik vroeg waar mijn apparatuur was gebleven.
‘O, die heb ik aan het zoontje van mijn zus gegeven,’ zei mijn stiefmoeder. ‘Jij gebruikt het toch niet meer.’
Woedend en onthutst pakte ik mijn weekendtas weer in, sloeg de voordeur met een klap dicht en ging terug naar Amsterdam.
Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina
Casparus RH
December 2005. Copyright ©.