Hoofdstuk 24. Maagdenhuis.
Het ontging mij vrijwel geheel waarom de studenten begin 2005 het Maagdenhuis in Amsterdam bezet hadden. Men heeft het verscheidene malen aan mij uitgelegd. Telkens drongen de herinneringen van 40 jaar geleden zich aan mij op. Tot nu toe dacht ik dat ik daar slechts zijdelings bij betrokken was. Ik was en ben nog steeds nieuwsgierig. Vandaar dat ik veertig jaar geleden de stad ben ingegaan om te kijken wat er allemaal gebeurde. In de Leidsestraat vond ik het gevaarlijk. Daar reden politie agenten te motor met zijspan razendsnel over de stoepen, terwijl de bijrijders, zonder onderscheid, met hun wapenstok rake klappen uitdeelden. Op de hoogte van de Dam, bij het oude postkantoor, waar nu Magna Plaza is, werd ik bijna vermoord. Er galoppeerden vijf politie agenten te paard rakelings langs mij heen. Op het Rokin werd ik keihard door een hard lopende agent met zijn wapenstok tegen mijn arm geslagen. Toen was voor mij de maat vol en ging ik langs rustige straten terug naar mijn studentenkamer. Verder heb ik mij nergens mee bemoeid.
Althans, ik leefde altijd in deze veronderstelling.
Totdat ik begin 2005 er achter kwam dat ik wel degelijk een belangrijke rol heb gespeeld.
In het begin van de avond, veertig jaar geleden, ben ik naar het Maagdenhuis gegaan. Toen ik mijn naam noemde werd ik vrijwel onmiddellijk binnen gelaten. Ik moest door een raam klimmen. De deuren waren gebarricadeerd. Op de grond zaten veel studenten. Een ervan stond op en bracht mij naar de eerste verdieping. Daar zaten de leiders van de studentenopstand aan een lange tafel. Ik moest in de deuropening blijven staan, terwijl mijn begeleider op de middelste persoon afliep. Ik hoorde de studentenleider zeggen, terwijl hij mijn kant uit keek: ‘die komt voor eigen parochie. Ik wil niet met hem praten. Die komt hier alleen om geld te verdienen of ons om te kopen.’
Vervolgens werd mij te verstaan gegeven dat ik beter zo snel mogelijk kon ophoepelen. Ik vertelde mijn begeleider dat ik een korte boodschap had voor de voorzitter.
Na enige touwtrekkerij werd mij toegestaan met hem te spreken.
‘Ik heb vijf minuten voor je,’ zei de voorzitter.
‘Daar heb ik meer dan voldoende aan,’ antwoordde ik. ‘Wij hebben beide de pik op de burgemeester. Hij is duidelijk te ver gegaan om de burgers van Amsterdam, onder het mom van wij zullen eens laten zien wie de baas is, af te ranselen. Ik spreek uit naam van zeer invloedrijke personen in de stad. Wij zijn van plan hem af te zetten. U heeft onze steun.’
Gezien het korte tijdbestek dat mij gegund werd kon ik hem niet vertellen dat de burgemeester een directe afstammeling van Sonstral was. Niet alleen dat, maar dat hij dit geloof volledig in de praktijk bracht. Dat zijn manier van optreden tijdens de rellen ons het handvat gaf hem af te zetten.
Toen ik die avond weer op mijn kamer was hoorde ik een stem zeggen dat ik in de toekomst rekening moest houden met wraakacties van de familie. Ik had immers de familie eer gebroken! Het waren politici van weleer en nu voorlopig niet meer. De informatie dat hij een afstammeling van Gust. A. Sonstral was, is mij door hersenspoelingen afgenomen. Wel kon ik mij al die jaren herinneren dat deze burgemeester de eerste in de Nederlandse geschiedenis was die is afgezet. Een zoon van een broer van deze burgemeester heb ik jaren later letterlijk en figuurlijk in mijn huis gehaald. Als vriend. Jarenlang kwam hij in de winter, bijna iedere avond, langs om te tafeltennissen. Ik heb hem deel gemaakt van mijn privé leven. Niet wetende dat het om familiewraak, om bloedwraak ging.
Niet alleen dat.
Het is bloedwraak met een financiële beloning!
En over stalken gesproken. Het lijkt er op, maar dan op zijn minst in het kwadraat!
Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina
Casparus RH
December 2005. Copyright ©.
|