Hoofdstuk 26. Eerste feest Prinsengracht.

Kort nadat mijn huis op de Overtoom in Amsterdam was afgebrand werd ik door  mijn broer uitgenodigd voor een feestje ergens op de Prinsengracht.
Ik vond het jammer dat ik op die zaterdag slechts een uurtje kon komen. Later op de avond had ik een afspraak met een vriendin. Rond negen uur verliet ik mijn huis en reed naar de Noordermarkt. Gelukkig vond ik een parkeerplaats vlak voor de deur van het cafeetje waar ik later op de avond mijn afspraak had. Ik ging lopend naar de overkant van de Prinsengracht. Ik was nog nooit op dit adres geweest. Mijn broer had mij verteld dat het helemaal aan het begin van de gracht was. Op de oneven zijde.
Opgewonden liep ik de trap op naar de openstaande voordeur. Op de deur bevond zich een naamplaatje met de naam Tabaksblatt. Ah, dacht ik, een bekende naam van een Groningse tabaksfabrikant. Eenmaal binnen kwam mijn broer op mij af gelopen. Hij stopte een glas wijn in mijn hand en stelde mij voor aan het aanwezige gezelschap. Ik had een drukte van belang verwacht. Naast mijn broer en zijn vrouw waren er hooguit zes andere mensen. Er waren vrijwel geen vrouwen en ik kwam onmiddellijk om van verveling. Bij de schouw stond de gastheer die iets ouder was dan ik. Hij had nogal een overdreven wit overhemd aan. De mouwen liepen op franjes uit. Precies zoals je ziet op schilderijen van de Gouden Eeuw. Naast hem stond een vrouw van zijn leeftijd waarvan ik mijn ogen niet kon afhouden. Groene jurk en groene amandelvormige ogen.
In het begin liep het gesprek enigszins stroef. Ik vond het vreemd dat mijn broer niet bij ons was blijven staan om mij verder bij de gastheer te introduceren. Hij was op een van de schaarse fauteuils gaan zitten. Schijnbaar in gedachten verzonken. Af en toe keek hij met een schuin oog in mijn richting. Zijn vrouw zat naast hem op de enige andere fauteuil en keek zwijgzaam voor zich uit.
‘Wordt het nog druk,’ vroeg ik aan de gastheer.
‘Nou, nee. Het feestje heeft een besloten karakter en ik houd niet van grote feesten. Tegen middernacht komen er nog een stel mensen.’
Net voordat ik iets tegen zijn vriendin wilde zeggen draaide ze zich om, liep naar de geluidsinstallatie en zette de muziek harder, waarop ze in haar eentje begon te dansen. Ik voelde mij niet langer op mijn plaats en maakte aanstalten om weg te gaan. De gastheer versperde mijn weg, tikte met zijn vinger op mijn overhemd en riep naar mijn broer of ik echt niet wist wie ik in werkelijkheid was.
‘Nee, met geen mogelijkheid,’ zei mijn broer.
‘Hoe bedoel je,’ vroeg ik. ‘Je bent toch mijn broer!’
‘Ja, jij bent mijn broer.’
Wat een onzin allemaal, dacht ik en liep weg.
‘Ga nu naar huis,’ zei de vrouw van mijn broer. ‘Dat is beter voor je.’
‘Nee. Ik ga naar mijn stamkroeg’
‘Dat is niet verstandig. Je moet naar huis gaan.’
Ik dacht, mens doe nu niet zo vervelend en zei tegen haar: ‘tot de volgende keer.’
Eenmaal buiten schudde ik het vervelende sfeertje van mij af en liep naar de Noordermarkt. Voordat ik naar mijn afspraak ging wilde ik eerst nog een pakje sigaretten uit mijn auto halen. Ik heb uren door de stad gedoold. Ik kon mijn auto niet terug vinden en vergat de afspraak volledig. Uiteindelijk besloot ik om lopend naar huis te gaan. Ook de Overtoom kon ik niet meer vinden. Daarop hield ik een taxi aan om mij naar huis te laten brengen. De volgende ochtend ging ik terug naar de Noordermarkt en stond mijn oude Peugeot 404 nog keurig geparkeerd, vlakbij de deur van mijn stamkroeg. Later die dag belde ik mijn broer op over het feit dat ik mijn auto de vorige avond niet had terug gevonden.
‘Ach, je was zeker erg moe,’grinnikte hij.
s’Avonds ging ik naar mijn vriendin. Ik bood mijn verontschuldigen aan dat ik mij niet aan onze afspraak had kunnen houden en heb haar het hele voorval in geuren en kleuren uitgelegd.

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.