Hoofdstuk 27. Jongens van Jan de Wit.

In 1980 stond ik in het Scheepvaartmuseum van Amsterdam naar een indrukwekkend schilderij te kijken. Het was een afbeelding van een zeeslag tussen de Engelsen en Hollanders van ongeveer 300 jaar geleden. Langs de reling stonden stoere Hollandse matrozen onverschrokken naar een naderende Engelse windjammer te loeren.
Op een bordje er onder stond geschreven dat het om ‘De jongens van Jan de Wit’ ging. Zij waren beduchte en levensgevaarlijke zeelieden. Het waren mensen waar een hond in was gekloond. Met de Engelsen is uiteindelijk contractueel vastgelegd dat deze manier van oorlog voeren niet door de beugel kon.
Wat er niet bij vermeld stond dat de Engelsman met wie dit contract was afgesloten ook een hond was.
Toen ik die avond in bed lag vroeg ik mij wanhopig af of ze die honden hadden afgemaakt en zo niet waar hun nazaten waren gebleven.

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.