Hoofdstuk 31. Parijs.
Toen ik in het hoge noorden woonde wilde ik er een weekje tussenuit en na overleg met mijn vrouw vertrok ik naar Parijs.
De avond voordat ik vertrok vroeg iemand in mijn slaap of ik naar een zekere Nikita wilde gaan. Zij leed onder anorexia. Ik zou instaat zijn, gezien mijn verleden, haar daarmee te helpen. Ik ging er mee akkoord en hoorde waar en wanneer ik haar kon ontmoeten. Nikita was inmiddels al op de hoogte gebracht van mijn bezoek. Ik hoefde mij absoluut niet ongerust te maken dat ik haar op de een of andere manier voor een onvoldongen feit zou stellen.
Via een reisbureau reserveerde ik een kamer in hotel Lambert, op het eilandje St. Louis. Midden in Parijs. Vlakbij de Notre Dame. Van het reisbureau hoorde ik dat het nogal een vreemd hotel was. Er bestond een sterke geruchtenstroom dat er dingen gebeurden die niet in de haak waren. Omdat ik aandrong boekte men toch een kamer in dit hotel.
Na een goede nachtrust in het hotel ging ik op de afgesproken tijd naar Nikita. We zouden elkaar ontmoeten in een kleine boekwinkel. Op een binnenplaatsje van Boulevard St. Germain. Op het moment dat ik de winkel zag vroeg ik mij af of het allemaal wel waar was wat ik in een droom had gehoord. Ik durfde de winkel niet in te gaan. Ik liep verscheidene malen langs de etalage, totdat ik bedacht dat zij misschien al de hele tijd naar mij had zitten te kijken. Ik besefte dat ik niet meer terug kon. Met een kloppend hart opende ik de winkeldeur en werd hartelijk verwelkomd door een jonge vrouw van tegen de twintig. Zonder omhalen bood zij mij een stoel en een kop thee aan. Zij stelde mij onmiddellijk gerust. Zij was immers op de hoogte van mijn bezoek en introduceerde mij aan een andere vrouw van haar leeftijd. Deze runde de winkel voor haar. Zelf was ze er vrijwel nooit. Na de thee nodigde ze mij uit om mee naar haar appartement te gaan. Daar konden wij in alle rust met elkaar praten. Voor de zekerheid overlegde ze eerst met de andere vrouw of het wel verstandig was om dit te doen. Omdat het de eerste keer was dat wij elkaar zagen.
‘Hij lijkt mij vrij onschuldig,’ zei de winkeldame.
Nu ja, dacht ik, zij moest eens weten dat ik erg goed ben in het knijpen van de katjes wanneer het donker is.
Zij woonde in een schitterend appartement met uitzicht op het eiland St. Louis. Het was op de bovenste etage in een groot pand met een ruime trappenhal. Ik dacht eerst dat het van haar ouders was. Nikita vertelde dat zij het had kunnen kopen uit de opbrengst van enkele korte verhalen die zij had geschreven.
Wij voelden elkaar aan als broer en zus. Voor ons beiden leek het alsof wij elkaar al lange tijd kenden.
2
Aan een van de muren hing een zeer oud erfstuk. Een viool van een van haar voorouders. Ze kon er nog niet goed op spelen. Inmiddels kreeg ze vioolles van een bekend musicus. Van hem had zij begrepen dat ze uitgesproken talentvol was. Er kon een groot musicus uit haar groeien. Zij had een absoluut gehoor.
‘Dat hoeft van mij niet zo. Ik schrijf liever verhalen. Dat is mijn passie en hiermee wil ik de kost verdienen.’
‘Dan ben je daar al aardig in geslaagd. Zo jong en nu al in zo’n chique buurt, in zo’n mooi appartement wonen. Dat is niet niks.’
Inmiddels liep het al tegen de avond. Ik nodigde haar uit voor een dineetje.
‘Daar heb ik niet zoveel zin in. Ik eet vrijwel nooit.’
‘Ik heb wel trek. Ik heb vandaag alleen ontbeten.’
Ik vermeed over haar anorexia te praten. Ik had geen zin in een discussie. Het zou haar weerstand alleen vergroten. Na enige aarzelingen kon ik haar overhalen en stelde zij voor om naar een Japans restaurant in het Quartier Latin te gaan. Ze kende de eigenaar goed en kwam daar wel vaker om over Azië te praten. Zij was vaak in Azië op vakantie geweest. Tijdens het diner maakte ik haar duidelijk dat ik al jaren geen druppel alcohol meer had gedronken en dat me dat prima beviel.
‘Je bent nu in Frankrijk en dineren zonder wijn kan hier niet.’
Zij bleef aandringen. Ik zwichtte voor de druk en dronk een glas wijn. Na een enkel glas wilde ik meer van het goede en bestelde nog een glas.
Bij een derde zei ze: ‘nu krijg je niets meer. Jij drinkt nooit. Zo meteen word je nog dronken en heb ik niets meer aan deze ontmoeting.’
Voordat ik naar het hotel terugging nodigde ze mij uit om bij haar thuis nog een kop thee te drinken. Ik voelde mij enorm door haar aangetrokken. Ik vergat de hele situatie van thuis, van een zieke vrouw, en wilde niets liever dan de nacht in haar appartement, op de bank, doorbrengen.
‘Nee, dat kan niet, je bent getrouwd en hebt zelfs kinderen! Het is beter dat je naar het hotel terug gaat.’
Door de wijn was ik door het dolle heen. Niet dat ik mij door haar op een seksuele manier voelde aangetrokken. Het was voor mijn idee meer platonisch. Ik stelde voor mij in een aap te veranderen. Voordat ze, nogal verbaasd, ja had gezegd, was ik al in een aap veranderd en in een oogwenk zat ik bij haar in het gordijn.
‘Nee dat niet, direct trek je ze nog naar beneden,’ gilde zij. ‘Jij kunt wel goed hypnotiseren.’
‘Dit is geen hypnose. Dit is echt.’
Om mijn argumentatie kracht bij te zetten haalde ik, terwijl ik weer op de bank zat, haar viool van de muur en liet deze door de kamer zweven.
‘Nee, doe dat niet! Het is een antiek stuk.’
Vlak voordat ik weg ging zag ik de verlichte Notre Dame aan de overkant van de Seine en vroeg of ze daar wel eens kwam.
‘Mais naturellement. Ik ben een Parijse en katholiek.’
3
Bij de deur spraken we af dat ik de volgende dag, aan het eind van de middag, weer bij haar op bezoek zou komen.
Terwijl ik de trap afliep dacht ik dat indien wij ooit een liefdesrelatie zouden krijgen deze ons veel en veel later zou overkomen. Ik sloot de mogelijkheid niet uit dat dit in het verre verleden, in een vorig leven, reeds gebeurd was.
De volgende ochtend besloot ik om een kijkje te nemen bij de Notre Dame. Wanneer ik deze kathedraal zie, zelfs op een foto, word ik bevangen door verschrikkelijke niet juist te omschrijven gevoelens. Ik kom daar niet graag in de buurt. Ik kan onraad ruiken. Het kan zijn dat ik daarin ongelijk heb. Ik bleef eerst een tijd op veilige afstand, op de brug vlakbij, staan kijken en voelde mij zeer onrustig worden. Ik kon mij de woorden van Nikita, dat ze er vaak kwam, nog goed herinneren, overwon mijn weerstand en liep langzaam naar het immense portaal. Het ogenblik dat ik het portaal in liep voelde ik dat er iets mis ging. Dat realiseerde ik mij op het moment dat het gebeurde zeer duidelijk. Zelfs zo duidelijk dat ik mij inprentte dat moment nooit meer te vergeten. Ik werd gewaar dat mijn bewustzijn compleet werd afgesloten en onmiddellijk daarna op een andere frequentie zat. Ik wist niet meer wie ik was en wat ik aan het doen was. Wel kon ik mij gelukkig, slechts vaag, de afspraak met Nikita herinneren. Ik realiseerde mij dat ik in een soort val, een kooi, terecht was gekomen. Vanaf dat ogenblik kreeg ik, achteraf gezien, onbewust te maken met subtiele, goed doordachte, instructies. Waarvan de bedoeling was dat er een gelegenheid zou ontstaan om Nikita in een soort zelfde kooi te vangen.
Aan het eind van de middag ben ik naar haar appartement terug gegaan. Ik kon haar overhalen bij de supermarkt, bij haar in de straat, eten voor ons te kopen. We spraken af dat we met zijn tweeën het eten zouden bereiden. Ze stond er op dat ik in haar afwezigheid niet weg zou gaan uit het appartement. Ik moest dit plechtig aan haar beloven. Tot drie maal toe.
Toen ze wegging hoorde ik een stem, in mijn hoofd, die mij uiterst nieuwsgierig maakte. Ik werd geprikkeld om naar boven, naar de zolder te gaan en te genieten van het mooie uitzicht over Parijs. Ik wist dat ik Nikita had beloofd niet uit haar appartement te gaan. Ik ging er van uit dat wanneer ik in het gebouw zou blijven het absoluut geen kwaad kon. Op de gemeenschappelijke overloop zag ik een deur op een kier staan. Ik gluurde er voorzichtig doorheen en zag een trap die naar boven leidde. Zachtjes liep ik de trap op en zag een schuin dakraam dat iets open stond. Er onder stond een stoel waarop ik ging staan. Ik tilde het raam verder omhoog, stak mijn hoofd uit het raam en zag aan de overkant van de Seine het eilandje St. Louis liggen. Prachtig statige panden. Honderden jaren oud.
4
Ik moet daar een hele tijd roerloos gestaan hebben, want plotseling hoorde ik Nikita achter mij een kreet slaken. ‘Stommerik, jij had beloofd in mijn appartement te blijven!’
‘Ik dacht dat je bedoeld had dat ik in het gebouw moest blijven. Naar boven gaan kon toch geen kwaad? Ik moet ook geen wijn drinken. Gewoon funest voor mij. Dan word ik roekeloos. Ik weet goed waar je het over hebt. Er is niets gebeurd.’
Dit loog ik. Ik had wel degelijk het gevoel dat er iets mis was in mijn hoofd.
‘Dit is het einde. Dat had je niet moeten doen. Jij hebt uitdrukkelijk beloofd in het appartement te blijven. Laatst heeft ook iemand zijn hoofd uit dat raam gestoken. Daarna is hij thuis uit zijn appartement gesprongen. Zes hoog. Morsdood. Dit is het einde. Dat had je niet moeten doen. Voor mijn veiligheid kun je beter weggaan. Jij moet ook voor jezelf oppassen. Er is iets verkeerds met dat raam. Wij hebben het nauwkeurig onderzocht. Wij hebben echter niets kunnen vinden. Je moet mij dat niet kwalijk nemen, maar je moet gaan. Echt, dat is het beste. Straks gebeurt er nog iets ergs!’
‘Ik meende dat je tegen mij had gezegd in het gebouw te blijven,’ loog ik nogmaals.
‘Nee, dat weet je heel goed. Een zwak argument! In het appartement hadden wij afgesproken. Je hebt het wel driemaal beloofd! Zeg zulke dingen niet tegen mij, stommerik! Idioot die je bent. Je weet toch wel wie jij bent en wie ik ben!’
Ik vond dat zij zich belachelijk aanstelde. Inwendig begon ik te koken. In hevige mate ontsteld verliet ik haar appartement. Eenmaal buiten was mijn ontsteltenis uitgegroeid tot een enorme ergernis over haar gedrag. Mijn adrenaline blazen liepen in een keer leeg in mijn lichaam. Ik werd zo woedend dat ik bijna uit mijn vel sprong en sloeg met een klap de enorm grote voordeur van het appartementgebouw dicht.
Juist toen ik de hoek van de straat omsloeg om naar hotel Lambert terug te gaan botste ik tegen JW op.
‘Wat doe jij hier,’ vroeg ik verbaasd.
‘Hetzelfde kan ik aan jou vragen,’ antwoordde hij handig.
Ik liep terug naar de voordeur en wees hem het naambordje van Nikita aan.
‘Die ken ik en ik mag haar echt niet,’ zei hij. ‘Zij brengt ons steeds in verlegenheid. Zij doet dingen en heeft vrienden waar wij niet achterstaan. Weet je wat, als je nu eens terug gaat?’
Op dat moment haalde hij een koptelefoon uit zijn jas.
‘Trouwens, je moet terug. Je bent je zilveren pen vergeten. In een onbewaakt ogenblik kun jij dan deze koptelefoon op haar hoofd zetten.’
Ik voelde in de binnenzak van mijn colbert en ontdekte dat ik mijn pen inderdaad niet bij me had.
‘En wat dan met de koptelefoon? Moet ik die mee terug nemen?
‘Dat is niet nodig. Zij zet hem naar een tijdje toch wel af en de volgende dag vraagt ze zich hooguit af hoe dat ding bij haar terecht is gekomen. Misschien houdt ze hem wel. Dat is nog beter.’
5
Ik belde bij haar aan. Toen zij de deur opende was mijn woede aanval enigszins tot bedaren gekomen en vertelde ik haar dat mijn pen nog in haar appartement lag.
‘O, dat is niet erg. Ik haal hem wel even voor je. Kom niet naar binnen.’
Op het moment dat ze zich omdraaide sprong ik op haar af en zette de koptelefoon op haar hoofd. Van schrik slaakte zij een gil. Na een enkel ogenblik raakte ze volkomen gefascineerd en bleef luisteren.
‘Wat een prachtige muziek,’ riep ze.
Ik liep ongehinderd naar de zitkamer, pakte mijn pen en verliet haar appartement. Buiten zag ik JW niet meer en liep terug naar mijn hotel.
De avond daarop ging ik op zoek naar een restaurant in Quartier Latin en ontdekte een restaurantje dat er wel aardig uitzag, iets Oosters, waar de eigenaar bij binnenkomst tegen mij zei:
‘Welkom Hollander.’
Heel typisch. Men herkent niet zo snel een Hollander in mij wanneer ik in Frankrijk of om het even in welk land ben.
Ik voelde mij totaal overbluft en dacht: dit is onmogelijk, hoe kan hij nu weten dat ik een Nederlander ben. Nu pas, 20 jaar later, weet ik dat hij mij van de vorige avond kende, toen ik daar met Nikita was. Hij begreep het ook niet. Hij zat de hele tijd stil voor zich uit te staren, verbaasd dat ik geen woord met hem wisselde. De vorige avond waren wij nog zo uitbundig met elkaar in gesprek geweest.
Na een overvloedige maaltijd met enkele glazen wijn liep ik naar Café de Flore op Boulevard St. Germain. Ik was hier vroeger vaker geweest. Ook in Les deux Magot waar ik altijd, tot mijn verbazing, het tafeltje aangeboden kreeg waar Sartre vroeger aanzat, gezien het koperen naamplaatje op de tafel. Ik vind hem een perfecte schrijver. Alleen zo’n existentialist ben ik nu ook weer niet. Het is gewoonweg niet mijn pakkie aan. Het is de omgekeerde wereld en is ontdaan van iedere franje. Wel leuk verzonnen. Of zou het kunnen zijn dat ik hem in het verleden op de een of andere manier deze teksten aangereikt heb? Dat zou best kunnen. Ik hoorde wel eens in mijn dromen dat ik veel verhalen schreef en verkocht aan bekende schrijvers, zodat ik zelf buiten schot bleef.
Na twee pilsjes werd ik overmoedig en gaf een rondje aan enkele Hollandse mooie dames met blauwe ogen die naast mij aan een tafeltje zaten. Even later nodigde ik hen uit om naar een nachtclub te gaan. Zij vertelden mij dat er een in de buurt was. Ongeveer 15 minuten lopen. Ik stelde voor om een taxi te nemen. Ik had de hele dag door de stad geslenterd en had last van mijn voeten.
6
We kwamen in een kelder terecht, onder een hotel, waar alleen jongens van een jaar of 18 met fel blauwe ogen rond liepen. Ik ventileerde mijn verbazing hierover aan een van de blonde dames. Zij lachte en vertelde dat het hun eigen kweek was.
‘Wij hebben er een pedofiele bloedhond ingestopt. Wij kunnen het gewoon niet laten.’
‘Ze zijn niet veel jonger dan jullie. En vanwaar die blauwe ogen?’
‘Ach leeftijd zegt ons niets en een Caucasiër hoort nu eenmaal blauwe ogen te hebben.’
Toen ik daarop over reïncarnatie begon zei ze:
‘Dat is allemaal geloof en daar doen wij niet aan. Wel leuk voor de mensen. Voor ons is dit werkelijkheid en dit is onze hobby. Wij vinden het erg leuk en spannend.’
Tijdens het dansen met een van de dames begon alles voor mijn ogen te draaien. Ik viel bijna op de vloer. Zij ving mij nog net op tijd op en zei: ‘ik heb het nu met je te doen. Je bent constant gedrogeerd, eerst door ons in Café de Flore en nu hier. Je bent wel een speciaal geval.’
‘Hoe bedoel je speciaal.’
‘Dat je er zo tegen kunt. Tegen al die poppers.’
‘Ik begrijp je niet.’
‘Ja, je ziet het inmiddels niet meer. Zo vaak ben je gedrogeerd.’
‘Hoe vaak dan?’
‘Een stuk of 20 keer, denk ik inmiddels. Op de een of andere manier mag ik je wel. Je moet mij beloven dat ik dit niet tegen je gezegd heb anders kom ik in de problemen en dat is nu ook weer niet de bedoeling. Kom we gaan naar buiten. Ik zal een taxi voor je bestellen.’
Buiten was het een drukte van belang. Allemaal precies dezelfde jongens van uiterlijk.
Ik vroeg haar hoe al die jongens dit adres wisten.
‘Wanneer ze in Parijs aankomen laten wij weten dat ze hier naar toe moeten komen.’
‘Hoe dan?’
‘Zij zijn op een en dezelfde frequentie geschakeld. Wanneer zij in Parijs aankomen vallen ze binnen het radiobereik. Kijk, daar staat een taxi. Kom, wij lopen er naar toe.’
Aan de chauffeur gaf ze instructies om mij naar het hotel te brengen waar ik logeerde. Hij reed een kwartier en toen ik uitstapte, hem geld gaf, zag ik dat ik op exact dezelfde plek was terug gekomen.
‘U zet mij af op precies dezelfde plaats waar ik vandaan kom.’
‘Absoluut niet waar. U moet zich vergissen. Zeker veel gedronken!’
7
Toen ik weer thuis in Groningen was heb ik mijn vrouw verteld over de ontmoeting met een schrijfster.
‘Wat was haar naam?’
‘Nikita.’
Ze liep de kamer uit. Even later kwam ze weer terug en zei:
‘Ja, dat is ze.’
‘Wat bedoel je? Hoe weet je dat?’
‘Hoe ik dat weet kan ik je niet vertellen. Zij is wel degene waar ik het tien jaar geleden met jou over heb gehad. Ik heb je toen verteld dat je op een gegeven ogenblik een schrijfster zou ontmoeten. Nu is het gebeurd. In de toekomst ben je vaak bij haar.’
‘Hoe loopt het dan tussen jou en mij af?’
‘Ik ga vroeg dood. Dat heb ik je nu al een paar keer verteld. Ik heb jou te vaak geholpen. Ik heb teveel minpunten gekregen. Ik zit nu in de put.’
‘Dat moet je niet letterlijk opvatten.’
‘Jij wilt mij niet geloven. Ik zit letterlijk gezien in de put en kan daar niet meer uitkomen. Ik heb je verteld dat ik onverwachts een spuitje in mijn borst heb gekregen. Dat ben je vergeten. Vandaar mijn borstkanker.’
‘Ik weet dat je ziek bent. Van dat spuitje weet ik niets. Jij overdrijft echt.’
‘Zij halen dat iedere keer uit jouw bewustzijn!’
Ik heb de ontmoeting met die twee dames en het gebeuren er omheen niet aan haar vertelt. Ik schaamde mij dat ik mij zo had laten beet nemen en wilde het liever vergeten.
Een paar dagen later hoorde ik een stem in mijn droom die mij vertelde dat wat ze met mij hadden uitgespookt meer dan schandalig was. Die nacht was ik in een club geweest in een kelder van hotel Lambert, daar talloze malen gedrogeerd en bijna uit elkaar gescheurd. Dezelfde nacht hebben ze mij in een zaal onder mijn kamer nog eens verschrikkelijk te pakken genomen. Ik heb naakt, onder invloed van poppers, in een groot gezelschap rond gelopen en in het openbaar seks bedreven. De verschrikkelijke herinneringen hieraan spelen mij nog steeds parten. Daarop hoorde ik de stem met iemand anders telefoneren. Men besloot het hotel op te rollen. Ze gingen er wel van uit dat de snoodaards ondergronds zouden gaan. Dit was het minste wat men kon doen.
Gedurende enkele weken bleef mijn ontmoeting met Nikita door mijn hoofd dwarrelen. Ik dacht veel aan haar. Hoe zij er uit zag. Lang haar tot haar middel, hoge laarzen tot over haar knieën. Dat ik haar verteld had dat ik haar op een Russische vond lijken.
8
Op een ochtend werd ik wakker van muziek in mijn hoofd. Ik had net de opname van een liedje bijgewoond. Het werd gezongen door Elton John en heette Nikita. Door eerdere dromen had ik begrepen dat ik dit had geschreven, de muziek had gecomponeerd en Elton John veruit de meest perfecte zanger vond om dit liedje te vertolken.
Op een zondagochtend, toen ik met Ingrid aan het ontbijt zat, hoorde ik het voor het eerst over de radio.
‘Dat is pas een mooi liedje,’ zei ik tegen haar.
‘Dat heb jij geschreven, zoals zoveel liedjes.’
‘Doe niet zo raar,’ zei ik oprecht. ‘Ik zou niet weten wanneer. Bovendien zou ik niet weten hoe ik een liedje moet schrijven en wat muziek betreft ben ik een nul.’
‘Geloof mij nu eens!’
Begin 2005, twintig jaar later, ging ik op zoek naar het appartement van Nikita. Ik kon het niet vinden. Vlakbij een van de bruggen naar het eiland St. Louis zijn enkele restaurants waar ik ging lunchen. Toen ik opstond om af te rekenen vroeg ik aan de ober of hij wist waar hotel Lambert was.
‘Ik heb daar nog nooit van gehoord,’ antwoordde hij. Aan zijn reactie zag ik dat hij loog. Daarop liep hij naar binnen en begon met een andere ober te fluisteren, terwijl zij voortdurend naar mij keken. Vervolgens liep ik over de brug naar het eiland. Ik wilde weten of er een bijzondere reden stak achter de reactie van de obers. In een van de dwarsstraten ontdekte ik een winkeltje waar in de stoffige etalage een boek was opengeslagen over Baron le Redeke. Hij werd hierin beschreven als jarenlange beschermheer van het hotel Lambert.
Die zelfde avond verbaasde ik mij hier enorm over. Ik werd zelfs kwaad. In mijn droom van twintig jaar geleden had ik begrepen dat alles opgerold zou zijn. Ik ging er wel vanuit dat alles ondergronds verder was gegaan. Dit was nog een uiterlijk kenmerk dat ik niet verwacht had.
Enkele dagen later besloot ik opnieuw naar het eilandje St. Louis te gaan. Daar ontdekte ik dat het winkeltje was veranderd in een antiek zaak. Het hele pand stond in de steigers en men was bezig het te schilderen. Wel in dezelfde kleur rood. De kleur van bloed. Ik dacht: laat dat maar, daar kan ik niets aan doen.
Achteraf ben ik nog steeds boos op mij zelf dat ik mij twintig jaar geleden zo verschrikkelijk beet heb laten nemen in hotel Lambert. Bovendien is St. Louis een Lombardijnen naam, precies zoals de naam van de kostschool waar ik vroeger opzat. Op die school was een historisch museum waar allerlei uniformen en attributen hingen van de Zouaven. Het zogenaamde leger van de paus. Op het eilandje zag ik twintig jaar geleden in een winkeletalage enkele uniformen van de Zouaven hangen. Ik heb er in 2005 naar gezocht. Ik kon het niet vinden. Volgens mijn broer mochten deze jongens niet groter zijn dan 1.60 meter en moesten zij een pofbroek dragen. Overdag met riem en in de avond, in de donkere ruimtes van het Vaticaan, zonder riem.
9
Tijdens mijn verblijf in Parijs heb ik nog enkele andere honden nesten gevonden. Een van de meest in het oogvallende is de plaats waar vroeger de Hallen, de markt van Parijs was. In plaats hiervan is een modern winkel centrum gekomen. Op het plein bij het Centre Pompidou kan ik beter niet meer komen. Hier wordt de ene na de andere foto van mij genomen en later waarschijnlijk in een voor mij compromitterende scène geplaatst waar de honden erg bedreven in zijn. Ik kan mij vele situaties herinneren waarin men foto’s van mij nam, na door hen toegediende drugs, waarvan ik de scènes hier niet wil beschrijven. Niet alleen seks. Ook zeer dubieuze zaken.
Begin 2005, juist voordat ik uit Amsterdam vertrok, heb ik in mijn droom een stem gehoord die mij vertelde dat ik in Parijs een Caucasiche vrouw van rond de vijftig zou tegen komen. Zij woonde doorgaans in Hongkong en was op jacht naar alleenstaande mannen. De stem in mijn droom vertelde niet met haar mee te gaan naar Hongkong. Dit zou wellicht mijn einde zijn. Zij had reeds enige mannen naar Hongkong gelokt en hen daar om zeep geholpen.
Zij was in het zwart gekleed en rook muf, naar verwelkte rozen. De dood.
Inmiddels heb ik haar ontmoet in een modern en groot internet café in de wijk Quartier Latin. Het café heeft 200 computers. Ik kwam daar op een zondagochtend. Ik denk dat zij daar meestal op zondagochtend komt. Zij weet dat alleenstaanden op zondagochtend geen sociaal leven hebben. Ondanks het feit dat alle andere stoelen leeg waren ging ze naast mij zitten. Vrijwel onmiddellijk knoopte ze een gesprek met mij aan.
Ik stond van mijn stoel op en ben uit het café weg gegaan.
Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina
Casparus RH
December 2005. Copyright ©.