Hoofdstuk 32. Sophialaan Hilversum.

Toen wij in het hoge noorden woonden werden wij door de familie Groen uit Hilversum uitgenodigd om bij hen thuis, met onze kinderen, Sinterklaas te komen vieren.
Op het moment dat wij de Sophialaan inreden stonden zij al buiten, voor hun huis, op ons te wachten.
Ik had een ongelooflijke hekel aan dit soort evenementen. Vooral met zo veel kinderen. Het schiet dan ook niet op. Mijn zoon was al op de leeftijd dat hij niet meer in Sinterklaas geloofde. Het enige wat hij leuk vond waren de cadeaus. Onze twee dochters waren nog wel gelovig. Ik was dan ook blij dat het op een gegeven moment tijd werd voor de kinderen om te gaan slapen. Ik excuseerde mij en ging eveneens slapen. Het was een drukke week geweest en twee uur rijden vanaf het hoge noorden gaat je niet in de koude kleren zitten.
De volgende ochtend gingen de gastheer en ik even een luchtje scheppen. Toen wij het huis van de buren voorbij liepen stelde hij, tot mijn verbazing, de vraag of ik deze straat, het huis van de buren, herkende.
‘Waarom zou ik dat huis moeten herkennen?’
‘Wij hebben gehoord dat toen je nog jong was hier vaak kwam.’
‘Waar dan precies?’
‘In dat huis,’ zei hij en wees naar het buurhuis onder dezelfde kap.
‘Hoe bedoel je? Je bent gek.’
‘Nee, het verhaal klopt echt.’
’Wie woont er dan?’
‘Een oude mevrouw. Zij wordt door iedereen van de straat als een bijzonder type, zo niet als totaal gek, beschouwt. Ze had vroeger een boom in haar voortuin staan die zo oud was dat hij dreigde om te vallen. We zijn met de hele buurt jarenlang bezig geweest om haar ervan te overtuigen dat die boom weg moest. Als hij zou omvallen dan zou hij zeker ons huis beschadigen.’
‘Ik weet echt van niets. Ik begrijp niet waarom je dit allemaal vertelt.’
‘Er is nog een ander huis waar je vaak kwam. Op de ’s Gravenlandse weg. Het gaat om een villa en staat al enkele jaren leeg. Men wil het verkopen. Er waren enkele problemen met de eigendomsverhoudingen. Ik heb gehoord dat jij hier eveneens iets mee te maken hebt.’
‘Hoe kom je daar bij?’
‘Afgelopen week hebben wij gehoord dat de problemen zijn opgelost. Het gaat nu definitief in de verkoop.’

2
Ingrid en ik kwamen geregeld bij de overburen, schuin tegenover het huis van de familie Groen. Ik kende haar van vroeger, via een kennis van mij, een kunstschilder, uit Amsterdam. De familie Groen vond het alleen niet leuk dat zij vaak bij hun buurvrouw op de koffie kwamen.
‘Waarom vinden jullie dat niet goed?’
‘Wij mogen onze buurvrouw niet. Zij deed zo moeilijk over die boom.’
Vele jaren later hoorde ik dat het stel aan de overkant van de straat was overleden. Hij aan een hartverlamming en zij aan borstkanker. Hun twee kinderen bleven alleen achter. Heel laconiek maakte Ine Groen de opmerking: ‘jammer. Ze zijn alle twee wees geworden. Het is niet anders. Zij moeten zich maar redden. Zo is het leven.’
Die middag, na Sinterklaas, zaten wij met zijn vieren aan een glas wijn en vroeg ik aan de gastheer wat voor een werk zijn vader vroeger had gedaan.
‘Mijn vader was zaadhandelaar,’ zei hij lachend. ‘Ook van menselijk zaad.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Zoals ik het zeg, van menselijk zaad. Dat was in die tijd heel normaal. Nu wordt het niet meer geaccepteerd. Toen kon het wel en was er veel vraag naar.’ Voorts vertelde hij dat ze dit zaad altijd bij een groothandel te Amsterdam kochten. De betrokken familie was met de groothandel gestopt en had nu een gerenommeerd wijnhuis in Den Bosch.
Omdat ik van Ingrid had begrepen dat hij een goede tandarts was vroeg ik hem of hij een brug in mijn mond kon plaatsen. Zodoende ben ik enkele jaren een patiënt van hem geweest.
Achter de tandartsstoel hing een prachtige koptelefoon.
‘Wanneer je hem opzet vergeet je de pijn. Ik denk goed aan mijn patiënten. Prima service!’
Er kwam werkelijk de mooiste klassieke muziek uit!
Na het overlijden van Ingrid werd het contact verbroken. Bij toeval kwam ik hen jaren later tegen op een terras aan de voet van de St. Jans kathedraal in Den Bosch. Daar spraken wij over de omstandigheden waarop Ingrid was overleden. Omdat zij terug moesten naar Hilversum maakten Ine en ik de afspraak dat tijdens een andere gelegenheid verder te bespreken. Wij zouden elkaar in Amsterdam ontmoeten en prikten een datum en tijd. In die tijd had ik het zeer druk met mijn werk en kon ik deze afspraak geen gestand doen. Vervolgens belde ik Ine op en vroeg of onze afspraak naar Den Bosch verplaatst kon worden.
‘Je durft zeker niet naar Amsterdam te komen,’ zei ze door de telefoon.
‘Ik begrijp niet wat je bedoelt. Ik heb het druk en voor jou maakt het gezien de tijd weinig uit of wij in Amsterdam of in Den Bosch afspreken. Amsterdam is korter voor jou. Daar staat tegenover dat je in Den Bosch gemakkelijker een parkeerplaats kunt vinden.’
‘Nee. Jij durft niet,’ herhaalde ze en verbrak het gesprek abrupt.

3
Destijds raakten Ingrid en ik bevriend met een familie uit Friesland. Wij hadden elkaar via het zeilen leren kennen. Hij was de zoon van een bekende kaashandelaar. Zij was familie van een eigenaar van supermarkten. Dit contact met hen heb ik nog jaren na het overlijden van Ingrid aangehouden.
Op een gegeven moment was ik tegelijkertijd met de kaasfamilie op een levensmiddelen beurs in Hilversum. Zijn vrouw stelde voor om een hapje te eten bij een plaatselijke Chinees. Hij kon niet mee in verband met een zakelijk afspraak. Wij parkeerden de auto vlak onder een enorm Boeddha beeld. Binnen kregen wij een tafel op een plateau dat langzaam ronddraaide. Tijden de hoofdmaaltijd zei ze plotseling zonder enige inleiding: ‘weet je dat dit allemaal van jou is.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Niet de Chinees natuurlijk. Je verhuurt het pand aan hen.’
‘Doe niet zo belachelijk.’
‘Je hebt nog heel wat meer panden in Hilversum. Ook in Amsterdam en veel landgoederen in het Oosten van het land. Niet mis allemaal.’
‘Wat raar,’ zei ik. ‘Als er iemand is die dit moet weten zou ik dat moeten zijn. Ik weet van niets.’
‘Wij horen dat je dit nooit zal toegeven. Zeer vreemd. Aan mij kun je het wel vertellen.’
‘Hoe kom je erbij! Waar heb je het over?’
‘Ja, ja, doe maar niet zo onschuldig.’
Toen wij later op de avond haar man weer tegen kwamen, vroeg hij:
‘En heeft hij je verteld hoe het allemaal in elkaar steekt?’
‘Nee, hij geeft het niet toe. Het lijkt of hij het echt niet weet.’
‘Dat is typisch! Vreemd. Dan is het toch waar wat ze over hem zeggen. Hij weet het echt niet!’ Later ging hij toch weer aan mij twijfelen en zei hij: ‘sluwe vos!’

Nu sinds begin 2005 mijn geheugen weer in orde raakt, zonder wijn en zonder mijn weten toegediende drugs, kan ik mij herinneren dat ik, wel degelijk, vaak op de Sophialaan in dat huis met de boom op bezoek ben geweest. Ik voelde mij daar eenzaam. De straat vond ik waardeloos. De stoeptegels waren door de wortels van de reusachtige bomen omhoog gewerkt. Ik kon met mijn driewielertje niet goed over de stoep rijden. Toen ik hoorde dat de buurtbewoners de boom, in de voortuin van het huis waar ik vaak op bezoek was, wilden laten omhakken stak ik mijn reactie niet onder stoelen en balken.
‘Indien hij omvalt,’ zei ik tegen de tante waar ik in huis was. ‘Dan valt hij, door zijn bouw, hooguit tegen uw huis. Niet tegen dat van de buren. De buurt heeft zich hiermee niet te bemoeien.’
‘Dat heb je goed gezien,’ antwoordde zij en vervolgens zei ze tegen een oudere heer: ‘die boom laten we mooi staan. Zodat wanneer hij ouder is, deze plek herkent.’

4
Ik vond het niet leuk van haar dat ik nooit in de boom mocht klimmen.
‘Dan gaan de mensen denken,’ zei ze. ‘Jij loopt moeilijk, terwijl je in een boom bijzonder lenig bent.’
Ik ging vaak met die oudere heer naar het Tolhuis. Aan de straatkant was een juweel van een overdekt terras. In Victoriaanse stijl.
‘Even een ommetje maken,’ zei hij dan.
Hij dronk daar een of twee borrels. Nooit meer.
Op een gegeven ogenblik toonde hij zich enigszins verdrietig en zei: ‘jammer, wij kunnen hier straks niet meer komen. Het moet verkocht worden.’
‘Dit pand,’ vroeg ik. ‘Dan kunt u hier geen borreltje meer drinken. Ik vind het hier leuk. Vooral deze mooie veranda.’
‘Het is niet anders.’
‘Dan koop ik het toch! Zodat u hier altijd kunt komen.’
‘Hoezo, dan koop jij het? Maar nee, dat is waar, je hebt genoeg geld. Het mag geen probleem zijn. Nou, wanneer je het werkelijk wilt dan doen we het. Bovendien is het een goede investering. Beslist geen gek idee.’
Even verderop in de straat kwamen we vaak bij een familie waarvan de heer des huizes opperbevelhebber was van het Nederlandse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Wat ik mij eveneens, sedert Thailand, kan herinneren is dat zijn zoon ook in het leger zat. Hij werkte op een kazerne in de omgeving van Den Bosch. Vele jaren later heb ik de kleinzoon van de opperbevelhebber in de Jan Luyckenstraat in Amsterdam leren kennen. Hij woont hier volgens mij nog steeds.
Wat is Nederland toch merkwaardig klein!
Tijdens een van mijn bezoekjes, ik ging vaak een pilsje bij hem drinken of een spelletje schaken, vertelde hij mij een verhaal dat ik destijds absoluut niet geloofde. Zijn ouders waren van plan om te verhuizen. Zij woonden in een huis aan de uitvalsweg van Den Bosch naar Vught. Met uitzicht over de polder. Het bleek om nogal om een ingewikkelde constructie te gaan. Volgens hem was ik de eigenaar. Er was een onderhands contract afgesloten. Met een zoon van een grote aannemer uit een dorp onder de rook van Den Bosch.
‘Hier wil ik meer van weten,’ zei ik hem. ‘Ik weet van niets en het klinkt mij zeer vreemd in de oren.’
‘Je kunt er toch niet achterkomen. Doe het maar niet.’
‘Waarom vertel je mij dit dan?’
‘Ik moest dat van iemand aan jou vertellen. Om jou te testen. Verder wil ik hier niets over zeggen. Ik zal zorgen dat je het vergeet.’

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.