Hoofdstuk 33. Adolf Dijkgraaf.
In de tijd dat ik in Groningen woonde werd er op een gegeven ogenblik aan de voordeur gebeld. Ingrid deed de deur open en zag een man met een snor staan van ongeveer mijn leeftijd. Hij stelde zich voor als Adolf Dijkgraaf. Hij woonde in een naburig dorp en zag mij vaak voorbij rijden in mijn oude oranje Volvo. Omdat hij pas in het noorden woonde was hij opzoek naar nieuwe kennissen en zag deze manier van kennismaken als een van de mogelijkheden. Ingrid en ik stonden daar eveneens voor open. Vooral vanwege het feit dat het noorden van Nederland langs de Waddenzee erg dun bevolkt is. Het valt niet mee om iemand te ontmoeten met ongeveer een gelijkwaardige instelling. Na deze eerste en korte kennismaking nodigde hij ons uit om op een zondagochtend een kopje koffie bij hem thuis te komen drinken. Op die manier zouden wij zijn vrouw en kinderen leren kennen. Na deze eerste introducties werden wij uiteindelijk goede vrienden en kwamen geregeld bij elkaar op bezoek. In de wintermaanden kwam hij vrijwel iedere avond langs om met mij te tafeltennissen. Hij was hierin altijd net iets beter. Destijds was hij leraar aan een Hoge school in Groningen.
In deze jaren had Ingrid borstkanker gekregen. De familie Dijkgraaf toonde zich erg meelevend met de ziekte van Ingrid. Tijdens haar terminale fase besloten wij hem als voogd voor de kinderen na het overlijden van Ingrid te vragen. Wat hij gretig accepteerde. Tijdens de kerkdienst van de begrafenis van Ingrid deed hij zelfs een woordje, waar Ingrid hem vlak voor haar overlijden had gevraagd. Als voogd hield hij zich op de vlakte ten opzichte van mij en mijn kinderen. Ik waardeerde dit, omdat ik dan in alle vrijheid mijn kinderen, volgens mijn levensinstelling en de aard van de kinderen, kon opvoeden.
Sinds begin 2005 ben ik mij enkele gebeurtenissen gaan herinneren die mijn beeld over hem en zijn vrouw totaal hebben veranderd. Ik realiseer mij nu dat ik mij in zijn aanwezigheid nooit op mijn gemak voelde. Hij straalt een soort gezag uit waarvan ik echt niet begrijp waar hij dit vandaan haalt. De vanzelfsprekendheid waarmee hij over anderen sprak als ze in zijn ogen iets verkeerd hadden gedaan stoorde mij vaak.
‘Ja,’ zei hij dan, wanneer ik mijn geïrriteerdheid hierover liet blijken. ‘Je kunt ze het beter direct vertellen als ze iets verkeerd hebben gedaan. Dan weten ze het voor de volgende keer.’
Echt een misplaatst familie trekje dat ik ook bij zijn kinderen, zelfs toen ze nog klein waren, tegen kwam. Ach, dacht ik dan, dat heb je bij die nieuwe adel. Die lopen naast hun schoenen.
Na verloop van jaren kreeg hij een baan aangeboden in Overijssel. De familie verhuisde naar Raalte. Tijdelijk betrokken zij een woning op een groot landgoed in de directe omgeving van deze plaats.
2
Na enige tijd werden wij opgebeld en gevraagd op bezoek te komen.
Bij binnenkomst in dat huis viel mij direct op dat er geen enkele privé bezitting van hen aanwezig was. Niet één boek, niet één foto. Werkelijk absoluut niets. Toen ik mijn verbazing hierover uitsprak vertelde hij mij dat hun spulletjes tijdelijk ergens anders waren opgeslagen, totdat zij een huis voor henzelf hadden gevonden.
‘Er staat niets, maar dan ook helemaal niets van jullie in dit huis,’ herhaalde ik.
‘Dat doen we pas als we een huis hebben gevonden.’
Ik kreeg hier een zeer vreemd gevoel van dat ik absoluut niet kon plaatsen. Tijdens de koffie excuseerde hij zich. Hij was net voordat wij arriveerden opgebeld door zijn werkgever. In verband met enkele problemen moest hij voor zijn werk onmiddellijk weg.
‘Ik dacht dat ambtenaren en zeker bij jullie organisatie nooit op zondag werken,‘zei ik.
‘Soms wel, zoals je nu hebt begrepen.’
Voordat zij ons naar de auto begeleiden lieten zij het landgoed zien. Het was een uitgestrekt park met in het midden het hoofdhuis dat de allure had van een kasteel. Langs de oprit groeide een enorme haag van ongeveer drie meter hoog. Boven op een ladder stond iemand de haag te knippen. Toen hij ons zag klom hij van de ladder en gaf een hand aan Adolf en zijn vrouw. Hij vroeg hoe het met hen ging. Het merkwaardige gevoel dat ik in het huis had gekregen werd hierdoor versterkt. De manier waarop men elkaar begroette kwam bij mij over alsof zij elkaar al een hele tijd niet hadden gezien, terwijl zij buren waren. Hierop stelde Adolf ons aan hem voor. Hij keek ons niet aan. Ingrid en ik liepen naar onze auto, terwijl Adolf en zijn vrouw nog even met de man bleven praten. Zij fluisterden met elkaar. Ik kon echter alles horen.
‘Pas op voor hem,’ zei de man en keek mijn richting uit.
‘Ach we houden hem wel klein. Hij weet van niets. Maak je niet ongerust,’ antwoordde Adolf.
‘Ik weet het niet, pas toch maar op,’ zei de hoofdbewoner en keek bedenkelijk in mijn richting.
‘Is er een probleem,’ vroeg ik toen Adolf naar ons liep.
‘Over iemand anders. Een probleem met de buurman over een zwetsloot.’
Adolf zat gewoon te zwetsen.
Toen ik pas verhuisd was van Groningen naar Den Bosch belde Adolf mij op. Hij nodigde mij uit voor een feestje. Zij waren een bepaald aantal jaren getrouwd. Het was wanneer ik mij goed herinner in 1996 of 1997. Ik was zeer vereerd om door hem uitgenodigd te worden en vroeg of ik nog een officiële uitnodiging zou krijgen.
3
‘Dat doen wij niet. Via deze weg ben je uitgenodigd.’
‘Ken ik mensen die je hebt uitgenodigd?’
‘Mijn neef met zijn vrouw uit Aerdenhout. Degene die je verder nog kent is Jeruzalem.’
Deze vriend van hem, een KNO arts die ik goed kende van het RKZ ziekenhuis, zou in een hotel vlakbij het restaurant in Stedum blijven logeren. Hij adviseerde mij dit eveneens te doen.
‘Ik neem een vriendin mee,’ antwoordde ik. ‘Voor haar is het leuker dat wij in de stad Groningen een hotelkamer bespreken.’
Onmiddellijk nadat ik de telefoon had opgehangen reserveerde ik een kamer bij een motel in Groningen. Vlakbij de uitvalsweg naar Haren.
Zo gingen mijn vriendin van destijds en ik naar het zoveel jarig huwelijks feest van de familie Dijkgraaf. Mijn vriendin en ik hadden geen man vrouw relatie met elkaar. Wij waren goede vrienden en ik vond het prettig om in haar gezelschap te zijn. Ze was enorm humoristisch en kon onverwachts de meest dwaze grappen ventileren. Zij had mooie verhalen over haar vader, een kunstschilder, uit Amsterdam. Deze had eens, gewoon overdag, het hele Stedelijke Museum leeg geroofd. Hij was er achter gekomen dat de tijdelijke expositie van schilderijen op een bepaalde tijd en dag, door een gespecialiseerde verhuizer, opgehaald zou worden. Zij hebben toen die verhuiswagen overvallen, de werkkleding van de verhuizers aangetrokken, het museum leeggehaald en vervolgens de schilderijen ergens goed verborgen.
‘Zonder bloedvergieten,’ vertelde zij er duidelijk bij.
De kranten stonden er bol van. Zo’n grote roof is moeilijk te verbergen en na enkele weken liepen ze tegen de lamp. Haar vader heeft haar toen nog een ansichtkaart uit de gevangenis gestuurd met een tekening op de achterkant. Zij liet deze kaart aan mij zien.
‘Kijk, het is een vogeltje in een kooi. Leuk,’ zei ze. ‘In die tijd wist ik niet wat er allemaal gebeurd was en wat de betekenis van het vogeltje in het kooitje was. Ik hield ontzettend veel van hem. Hij was mijn grote held.’
Toen wij Stedum in reden zag ik Jeruzalem hand in hand lopen met zijn vrouw. Zij beiden kwamen wel eens bij mij thuis toen Ingrid nog leefde en staken hun bewondering voor het moedig aanvaarden van haar ziekte niet onder stoelen of banken. Ik reed mijn auto langs de stoep, groette hen door het geopende raam en zei dat we elkaar zo meteen wel zouden spreken.
4
In het restaurant raakte ik in gesprek met de neef van Adolf. Ik had veel te vertellen. Ik had van hem een boot gekocht die door een werf in Delfzijl gebouwd was. Het was een geavanceerd type van een Nienke. Een nogal merkwaardig zeilschip dat zelfs een keer de voorpagina van de Waterkampioen gehaald had. Daar kreeg het de bijnaam Het Potlood. Het was een superslank houten schip van 2.50 breed en 11 meter lang. Het schip was bijzonder vanwege de zeer speciale tuigage. De giek liep voorbij, via een speciale constructie, de draaibare mast. Ik vond het leuk om op deze manier een aanknopingspunt te hebben. Behalve de oude eigenaar van de boot en Jeruzalem kende ik niemand van het gezelschap. Onder het diner wenkte Jeruzalem mijn vriendin en nodigde haar, via een gebaar, uit om naast hem op een inmiddels vrij gekomen stoel te gaan zitten. Ik vroeg mij af of dat wel goed zou gaan. Mijn vriendin had namelijk een zeer extravagant karakter, terwijl de KNO arts uiterst belegen en droog overkwam. Echt een droogstuiver. Toen ik zag dat zij beiden geanimeerd met elkaar zaten te keuvelen was ik gerustgesteld. Ik stond op en wilde naast Adolf op een vrij gekomen stoel gaan zitten. Dit werd verhinderd door zijn vrouw.
‘O nee, dat niet,’ zei ze. ‘Je kunt beter ergens anders gaan zitten.’
Ik vond dit vreemd, maar omdat Adolf een enorm gespannen indruk maakte ging ik naast de vrouw van zijn neef uit Aerdenhout zitten. Bovendien, dacht ik, misschien gaat dat in deze hoge kringen zo toe.
Al met al werd het een gezellige avond en omdat ik nog naar Groningen moest rijden beperkte ik mij, tot dan, tot het drinken van een enkel glas wijn. Op een gegeven moment wenkte Adolf de ober en zei: ‘ik heb speciaal voor jou een goed wijntje laten openen. Die fles is voor jou en je kunt er zoveel van drinken als je wilt.’
Na een enkel glas verdween het natuurlijke wantrouwen en de voorzichtigheid in de omgang met anderen die ik altijd diep in mij met mij meedraag. Ik dronk het ene glas wijn na het andere. Ik verbaasde mij nergens meer over. Ook niet toen ik de eettafel zag bewegen en de muren begonnen te golven. Mijn nonchalance nam zienderogen toe en ik werd door een gevoel van uiterste euforie overvallen. Direct na het diner stonden de meest gasten op om naar huis te gaan. Daarop nam ik mijn vriendin bij de arm om naar het motel te gaan. Ik had het allemaal wel gezien. Ik had te veel gedronken. Waardoor ik mij schuldig voelde. Ik moest nog een eind rijden en had de verantwoording over mijn vriendin. Niet alleen over haar natuurlijk, maar ook over mijn kinderen die ik in mijn eentje opvoedde. Zij hadden immers niets meer aan een vader die in de kreukels lag, omdat hij met zijn dronken kop tegen een boom was gereden. Nadat we iedereen gedag hadden gezegd ben ik waarschijnlijk in elkaar gezakt. Ik besef sinds begin 2005 dat ik enkele uren van mijn leven absoluut niet meer kan herinneren.
5
Toen ik naar buiten werd vergezeld door Jeruzalem herkende ik de deur, de uitgang, niet. Ik dacht dat het door de drank kwam. Buiten stond mijn auto al met draaiende motor te wachten. Mijn vriendin zat er reeds in en wij reden naar ons hotel. Daar stond een politieauto te wachten. Er stapte een politie agent uit en liep op mijn auto af. Ik draaide het raampje open.
‘Ik moet u vragen om uit de auto te komen,’ zei de politie agent.
‘Dan rijd ik hem wel eerst in een parkeervak.’
‘Dat kunt u beter niet doen. U mag niet meer rijden. U hebt volgens ons te veel gedronken. Wij verzoeken u om mee naar het politiebureau te gaan voor een alcoholtest. U kunt dit natuurlijk weigeren, maar dat is niet zo verstandig. Uw vriendin kan natuurlijk wel naar de kamer in het motel gaan.’
‘Je ziet mij straks wel terug,’ zei ik tegen haar.
‘Dat hoop ik voor jou,’ antwoordde ze.
Op het politiebureau werd ik een klein kantoor binnen geloosd en werd de test uitgevoerd. Daarna zag ik door het raam van het kantoortje de politie druk aan het telefoneren. Het ene telefoontje na het andere. Al met al waren ze wel een uur bezig. Uiteindelijk kwamen beide agenten weer tegenover mij aan het bureau zitten. Zij boden hun verontschuldigen aan dat het zo lang geduurd had.
‘U heeft ons verteld dat u hooguit een fles wijn heeft gedronken. Deze verklaring van u klopt als een bus. Wij kunnen de uitslag van de bloedtest niet veranderen. Het is precies zoals u verteld heeft.’
Volledig verrast vroeg ik wat er aan de hand was.
‘Enkele verontruste heren hebben ons ruim een uur geleden gebeld. Zij vertelden dat u met hen op een feestje was. Zij hadden u willen tegen houden. U had te veel gedronken. Zij hebben u op uw verantwoordelijkheden gewezen. Dat u met tien flessen wijn echt niet kon rijden. Aangezien u erop stond om toch naar uw hotel te gaan konden ze niets anders doen dan u te laten vertrekken. Het waren nogal hoge heren. Echt niet mis.’
Hij krapte zich op zijn hoofd en vervolgde: ‘daarom hebben wij na kort beraad met iemand anders hier van het bureau enkele mensen uit uw oude woonplaats gebeld. Om hen te vragen of u wel eens de neiging of gewoonte had zulke exorbitante hoeveelheden alcohol naar binnen te slaan. Dit gedrag werd door enkele herenboeren waarmee wij gebeld hebben ten stelligste ontkend. Wij dachten toen dat het wel eens mogelijk zou kunnen zijn dat u door deze kennissen in bescherming werd genomen. Vandaar dat wij aan hen gevraagd hebben of zij andere namen konden noemen waarvan zij wisten dat u daar eveneens contact mee had. Daarop viel de naam van een van de grootste aannemers uit Nederland. Toen hebben wij de stoute schoenen aangetrokken om deze heer over u te laten adviseren. Deze heer bezwoer ons dat hij dit gedrag absoluut niet van u kende. Hij vertelde ons lachend dat u wel een vreemd heerschap bent, maar dat u zoiets nooit zou doen.’
6
Ik had deze aannemer verscheidene malen ontmoet. Destijds wilde ik mijn bedrijf aan hem verkopen, wat uiteindelijk niet is doorgegaan. Hij was een talentvolle boeren zoon. Een zeer goed koopman. Gebeeldhouwd uit zuivere Groningse klei. Een noeste werker. In een korte tijdspanne had hij een van de grootste bouwbedrijven in Nederland uit de klei gestampt. Niet alleen dat. Een conglomeratie van bedrijven van verschillende aard. Ik had en heb nog steeds een enorme bewondering voor hem.
‘Daarop hebben wij volgens het protocol de burgemeester gebeld,’ zei de agent. ‘En hem de kwestie uitvoerig voor gelegd. Uiteindelijk zijn we tot de slotsom gekomen dat de we niets anders kunnen doen dan de wet ons voor schrijft. U mag de eerst zes uur niet rijden en u krijgt een boete van 300 Euro.’
Toen ik weg wilde gaan vroeg ik of ik een taxi mocht bellen zeiden ze: ‘nee dat hoeft niet. Wij brengen u naar het hotel.’
‘Dank u wel, dat is erg attent van jullie.’
‘Uw vriendin zal inmiddels wel slapen,’ zei de agent lachend.
Toen hij mij voor de deur van het motel afzette zei hij, terwijl hij aan zijn pet tikte: ‘u heeft enorm invloedrijke vrienden. We hebben wel eens vaker over u gehoord. Dat u zulke hoge vrienden heeft hadden wij ons niet voorgesteld.’
‘Hier ben ik mij niet van bewust,’ antwoordde ik.
Toen ik de hotelkamer binnenkwam legde mijn vriendin juist de telefoon op de haak. Zij vertelde dat zij haar moeder uitvoerig op de hoogte had gebracht van de gebeurtenissen.
‘Kom,’ zei ze. ‘Ga nu maar slapen, morgen is er weer een dag.’
Al met al was het inmiddels diep in de nacht.
De volgende ochtend vroeg mijn vriendin op zijn Amsterdams: ‘heb je een leidinkje, of zo, langs je maag lopen?’
‘Nee, hoezo?’
‘Na het diner heb je, in gezelschap van een stuk of tien andere heren van het
diner, in een bovenzaaltje, het enorm op een zuipen gezet.’
‘Ach, doe niet zo raar. Ik heb hooguit een fles wijn gedronken.’
‘Je hebt het niet in de gaten, hè. Kun je geen klok kijken? Je mist gewoon een paar uur. Je bent wel drie uur in een bovenzaaltje geweest en jullie hadden een enorm plezier. Ik hoorde iedereen de hele tijd bulderen van het lachen. Bovendien, die Jeruzalem is hartstikke gek. Hij heeft wel tien maal tegen mij gezegd dat hij een hogepriester was. Volgens mij kunnen ze hem beter opsluiten.’
7
Nadat ik terug kwam uit Thailand kan ik mij herinneren dat er zich de boven beschreven gebeurtenissen hebben afgespeeld. Ook kan ik mij herinneren dat Jeruzalem mij een achterdeur van het etablissement uitloosde. Links van mij bevond zich een hoge muur, van negen meter lang, met aan de voet daarvan een groenstrook met heesters van ongeveer een meter hoog. Op het moment dat Jeruzalem zijn rug keerde kotste ik de hele inhoud van mijn maag in een grote en krachtige straal in de struiken.
Tijdens die zelfde avond, waarop men mij dronken had gevoerd, vertelde Adolf dat hij mijn vroegere vriendin Janny uit Haren wel degelijk kende. Niet alleen vanwege haar vader, gezien zijn voorzitterschap van een boerenbond. Ook van vele andere gelegenheden.
Na een zeilvakantie op de Waddenzee met mijn kinderen kwam ik in tijdnood in verband met mijn werk. Ik kon de haven van Lauwersoog niet op tijd bereiken vanwege het getijde. Daarop besloot ik de boot in de haven van Delfzijl te stallen.
In het verleden had ik Adolf en zijn vrouw verscheidene malen uitgenodigd om mee te gaan zeilen. Het was er nooit van gekomen. Tot mijn verbazing belde Adolf mij de eerste dag na mijn vakantie op en vroeg of zij binnenkort mee konden gaan om te zeilen.
‘Nou zeg, dat is ook toevallig,’ zei ik. ‘Mijn boot ligt in jullie woonplaats!’
Wij spraken voor de komende zaterdag af en zouden elkaar in de haven ontmoeten. De avond voor het zeilen belden ze mij op en vertelden dat ook hun zoontje en een vriendje van hem mee zouden gaan.
Na enkele uren zeilen in de Dollard besloten we te gaan zwemmen. Ik legde mijn boot voor anker in een door prikken afgebakende vaargeul. Er stond een vrij sterke stroming. Voor de veiligheid wierp ik een lijn achter de boot van twintig meter lang. In geval van nood konden wij ons daar vasthouden. De twee jongetjes gingen niet zwemmen. De stroming was veel te sterk voor hen. Adolf was een ervaren zwemmer. Op een gegeven ogenblik zwom hij honderd meter achter de boot. Zijn vrouw en ik bleven in de buurt van de boot. Na een kwartiertje had ik er genoeg van en klom weer in de boot. Zij kwam vrijwel onmiddellijk achter mij aan. Ik kleedde mij om in de kajuit. Ik had het kajuitdeurtje achter mij gesloten. Juist op het moment dat ik mijn zwembroek wilde uittrekken werd het deurtje geopend. Zij stond met onbloot bovenlijf en strekte haar arm naar mij uit. In haar hand hield ze haar bovenbikini vast.
‘Kijk eens al dat zand!’
Haar zoontje en zijn vriendje sloegen het tafereel nauwlettend gade. Geheel ontsteld sloot ik zonder iets te zeggen de kajuitdeur.
Wat wil die fel blonde gratenkut van mij, dacht ik en moest, door een plotseling opkomend gevoel van onpasselijkheid, in het aanrechtbakje kotsen. Na een halfuur klom Adolf weer op de boot. Zij knikte van nee naar hem. Ik sloeg er geen acht op. Het was niet duidelijk waarom ze dat deed. Op de terugweg naar de haven begonnen zij zonder enige aanleiding te praten over iemand die de Ploeg heette.
8
‘Ken ik hem,’ vroeg ik.
‘Nee, die ken je niet. Het is een vriend van ons. Afgelopen week waren wij bij hem. Hij woont in Amsterdam en is daar hoogleraar kunstgeschiedenis.’
‘Nee, zulke belangrijke mensen ken ik niet.’
‘Hij handelt ook in kunst. Wij zijn van plan bij hem een schilderij te kopen.
Vandaar dat wij zojuist over hem spraken.’
Toen ik die avond in mijn bed lag nam ik gewoonte getrouw nog even de dag door.
De naam van de man uit Amsterdam spookte door mijn hoofd. Plotseling wist ik waarvan ik de naam kende. Ik had enkele dagen geleden een vreemde droom gehad die ik nu ineens kon plaatsen. In deze droom was ik aanwezig geweest bij een gesprek tussen Adolf, zijn vrouw en die heer de Ploeg. Ik hoorde geldbedragen noemen. Naast het normale bedrag dat op mij stond, dood of levend, werd er door de Ploeg een groot bedrag toegezegd aan Adolf. Ik kon de volledige opzet betreffende het plan volgen. De vrouw van Adolf zou mij proberen te versieren en seks met mij hebben. Adolf zou bij terugkeer van het zwemmen ons bezig zien en mij daarop vermoorden. Zij wilden het laten overkomen als een crime passioneel. Vandaar dat het nodig was dat er enkele anderen aan boord zouden zijn. Mensen van onze leeftijd waren niet goed. Dit omdat er dan geen gelegenheid zou zijn om het plan uit te voeren. In ieder geval zou het dan veel te ingewikkeld worden. Daarom werd besloten een zoontje plus vriendje mee te nemen. Hun getuigenis bij de rechter zou gezien hun minderjarigheid niet gelden. Het zou wel voldoende bewijs opleveren dat het om een crime passioneel ging. Hierdoor zou Adolf er hoogstwaarschijnlijk met een zeer korte straf van afkomen. Dit mede gezien de steun van vele invloedrijke mensen uit Nederland. Ik zou in ieder geval postuum de zwarte piet krijgen.
Ik herinner mij nu ook sommige onderwerpen die Adolf ter sprake bracht. Hij vertelde mij eens, langs neus en lippen, dat hij en zijn vrouw vaak seks hadden in aanwezigheid van hun kleine kinderen. ‘Ze kunnen het niet jong genoeg leren,’ voegde hij er aan toe.
Het zal wel een dolle bedoeling geweest zijn, zo’n nest met krioelende jonge honden en daarna op zondag met zijn allen, schoon gepoetst, met strakke gezichten, naar de kerk.
De verhalen over deze familie drongen zelfs tot in Brabant door. Ik mocht vooral nooit mijn kinderen daar alleen in huis laten. Men had gehoord dat het daar niet pluis was.
9
Enkele jaren geleden, het moet in 2002 geweest zijn, werd ik door een uitgever namens Adolf uitgenodigd. Adolf had een boek geschreven en zou een signering sessie houden in een kasteeltje in de provincie Groningen. Kort daarop belde ik hem op en vertelde dat ik graag kwam. Ik vroeg of er nog een borrel werd geschonken. Dan zou ik een hotel kamer reserveren. Zo’n eind rijden met een paar borrels op zag ik niet zitten. Op het allerlaatste ogenblik nodigde ik een vriendin uit om mee naar de sessie te gaan. Ik heb toen nog geprobeerd Adolf hiervan op de hoogte te stellen, maar ik kon hem nergens bereiken. Hierop trok ik de stoute schoenen aan en ben samen met mijn vriendin naar Slochteren gereden. Toen ik, met mijn toenmalige vriendin uit Den Bosch, in het kasteeltje aankwam werd ik bij binnenkomst door Adolf verwelkomd. Mijn vriendin stond in de deuropening te dralen. Adolf gaf tot mijn schrik een kus op mijn wang. Dit had hij nog nooit gedaan en wanneer ik had geweten dat hij dit van plan was geweest had ik dat nooit toegestaan. Ik houd er gewoon niet van om gekust te worden. Laat staan door een man. Dit mag alleen mijn geliefde vrouw doen. Geheel ontsteld veegde ik hem af. Toen ik mijn vriendin aan hem voorstelde reageerde hij dusdanig dat ik veronderstelde dat ik hem hier enorm mee had overvallen. Aan zijn reactie merkte ik dat hij te laat had gezien dat er iemand met mij was mee gekomen. Binnen was het een drukte van belang. Op de achtergrond speelde een strijkkwartet klassieke muziek. Mijn vriendin en ik werden nauwgezet gadegeslagen.
Nadat wij weg waren gegaan zei ik tegen mijn vriendin: ‘vreemd dat hij mij op mijn wang kuste. Dit heeft hij nog nooit gedaan.’
‘Dat was een Judas kus,’ zei ze.
De week daarop sloeg ik het door hem geschreven boek, op een willekeurige pagina, open. In de eerst regel stond geschreven dat het heel normaal was dat wanneer je een probleem had dat eerst thuis, met je familie, zou bespreken. Kotsend gooide ik het boek in de vuilnisbak.
Een maand voordat ik naar het buitenland zou gaan werd ik door de vrouw van Adolf opgebeld. Zij wilde de volgende dag op de koffie komen. Daarna zou zij naar een bijeenkomst in een kerkje vlak bij mijn huis gaan. Op het moment dat wij aan de koffie waren kreeg ik het onbehaaglijke gevoel dat ze mij aan het overhoren was. Ik kan mij verder herinneren dat ik haar belangstellend vroeg:
‘Zijn er veel exemplaren van het boek verkocht?’
‘Dat weet ik niet. Hij werd onlangs opnieuw door de uitgever benaderd. Hij was weer aan de beurt om een boek te schrijven.’
Dezelfde avond belde Adolf mij op.
‘Ik heb het allemaal wel gehoord,’ zei hij kwaad.
‘Wat heb je gehoord,’ vroeg ik
‘Dat je een paar maanden naar Nepal gaat.’
‘Wat is daar nu zo bijzonder aan?’
‘Je bent een schoft dat jij je kinderen in de steek laat.’
‘Ik begrijp niet zo goed wat je bedoelt. Ik ga voor enkele maanden. Bovendien zijn ze volwassen en wonen wij niet meer bij elkaar. Ik begrijp niet dat je het hier met mij over hebt.’
‘Nee, je bent een schoft en ik wil nooit meer wat met je te maken hebben.’
Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina
Casparus RH
December 2005. Copyright ©.