TERUG IN BRABANT

Hoofdstuk 39. Teleportatie naar Ayutthaya.

Ik woonde al weer enige jaren, na mijn vertrek uit het hoge noorden, in Noord-Brabant. Mijn huis stond vlak bij een natuurgebied waar soms legeroefeningen werden gehouden. Het was vroeger een boerderij. Met een vloeroppervlakte van tien bij dertig meter. Ik had onder eigen beheer alles tot de fundering laten afbreken en het weer in de oude stijl, met de oude bakstenen, laten optrekken. In de zomermaanden ging ik iedere ochtend zwemmen in een groot meer. De IJzeren Man. Vijf minuten fietsen.
Op een gegeven moment werd ik voor een tuinfeest uitgenodigd door de Griek, een zoon van een melkfabrikant, afkomstig uit Zuid-Holland. Hij had mij een tijdens een vorige ontmoeting verteld dat hij mij vroeger in Wassenaar had leren kennen. Ik kon mij dat niet herinneren.
De Griek verwelkomde mijn vriendin Maria uit Breda en mij. Hij liep voor ons uit naar het tuinhuis waar alle gasten, reeds uitbundig door de drank, een vreemd lied aan het zingen waren. Ik kreeg een stoel aan het hoofd van de tafel, maar moest mij eerst langs iedereen heen wurmen. Toen ik eenmaal zat kreeg ik onmiddellijk een glas champagne aangeboden.
Op het terras van het woonhuis zag ik twee bekenden uit mijn jeugd. Hij was familie van mijn moeder uit Tilburg en zij een dochter van een Haagse vriendin van mijn stiefmoeder. Zij knikte met haar hoofd om mij te begroeten. Hij haalde zijn hand uit zijn zak. Op de hoogte van zijn middel maakte hij een wuivend gebaar. Dit alles zo onopvallend mogelijk. Ik voelde mij verplicht een praatje met hen te maken, stond op en liep op hen af. Toen ik vlak voor hen stond vroeg ik mij vertwijfeld af op welke manier ik haar zou begroeten. Beneden de rivieren was dat omslachtig en verwarrend. Driemaal kussen. Erg vies. En mijn probleem was dat ik niet wist op welke wang ik moest beginnen. Daarna keek men mij altijd zo raar aan. Alsof ik op de verkeerde wang was begonnen en de verkeerde wang was geëindigd. Waardoor ik mij zelfs nog schuldig voelde. Gelukkig deed zij toen we elkaar de handen schudden een stapje achteruit, zodat ik mij niet verplicht voelde haar te moeten kussen.
‘Zo’, zei ze, ‘dat is lang geleden. Hoe gaat het er mee?’
‘Goed en hoe gaat het met je moeder. Ik heb begrepen dat ze nog steeds in Het Blok woont.’
‘Ja, dat klopt. Ze is nu wel erg oud aan het worden. Het huis staat inmiddels te koop. En zie jij jouw moeder nog wel eens?’
‘Het is mijn stiefmoeder. Ik heb haar al 10 jaar niet meer gezien en geen prettige herinneringen aan haar, zoals jij moet weten.’
‘Ach, die tante Bety. Best een goede vrouw. Vreemd om jou hier te zien. Je hoort niet in dit gezelschap thuis.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, dit is een ander soort mens. Jullie passen niet bij elkaar.’

2
Hij onderbrak het gesprek en zei: ‘wij moeten zo weg!’
‘Wacht nog even. Kijk, iedereen gaat verder met zingen. Nu roept de gastheer de dienstertjes voor nog meer champagne. Wat slooft men zich toch uit.’
De Griek had eveneens zijn moeder uit Den Haag uitgenodigd. Ik had haar reeds een vorige keer leren kennen. Zij woonde voorlopig op De Mariënburg in Den Bosch. Een serviceflat voor oudere mensen.
‘Kom laten we gaan. Niets voor ons hier,’ zei mijn neef tegen zijn vrouw.
Toen ik weer terug liep naar de tafel werden de dienstertjes uitdrukkelijk aan mij voor gesteld, terwijl mijn naam over de tafel vloog. Merkwaardig, dacht ik, wat heb ik met die jonge meisjes te maken. Ze keken mij bij het horen van mijn naam, zeer schuin, met zaadvragende ogen aan.
De champagne maakte mij enorm uitgelaten en weldra zag ik handen en borsten groter worden. Vooral die van de moeder van de Griek werden net koeienuiers. Terwijl ze al zulke enorme afmetingen hadden. Tegenwoordig zijn ze zo groot niet meer.
Het werd steeds gezelliger en de Brabantse moppen gleden uit over de van drank natte tafel.
‘Je moet wel wat eten,’ riep de gastheer naar mij en knikte naar de dienstertjes die even later met zalm en stokbrood aan kwamen draven.
‘Verdorie, het is toch allemaal niet mis hier, al die champagne, Franse stokbroden met zalm,’ fluisterde ik tegen Maria. Zij had zich stil in haar schulp terug getrokken. Ik voelde mij enigszins schuldig dat haar geen blik werd waardig gekeurd. Ik zag de andere gasten denken: hij heeft weer wat om handen. De gastheer bleef bezig met zijn pogingen om mij op zijn moeder te attenderen. Hij moest toch weten dat ik mijn vriendin bij mij had. En dan nog.
‘Prima, hè,‘ riep de gastheer naar mij, terwijl hij ondertussen de hand van zijn moeder in die van hem sloot en deze steeds verder in mijn richting leidde.
‘Prima,’ riep ik terug.
‘En lekker, al die champagne.’
‘Goed,’ riep ik. ‘Het is goed.’
Ik vond het zo gezellig worden dat ik niet wilde opstaan om naar het toilet te gaan. Terwijl ik uit eerdere ervaringen wist dat ik meestal onmiddellijk gevolg moest geven op een eerste aandrang. Zeker als ik alcohol had gedronken. Bovenden voelde ik mij met de minuut euforischer worden. Vermoedelijk heb ik het iets te lang uitgesteld. Ik wilde bovendien niet al die mensen storen. Ze moesten immers voor mij opstaan. Uiteindelijk kon ik mij toch vermannen. Bij het opstaan maaide ik in een enkele beweging alle glazen van de tafel en rende als een haas richting het woonhuis om het toilet te zoeken. De dienstertjes schoten het woonhuis uit. Het bloed trok weg uit mijn hoofd. Ik werd zo duizelig dat ik bij mij zelf dacht: daar ga ik. Ik kon mij staande houden en liep verder. De aandrang werd zo hevig dat ik probeerde mijn penis tegen beter weten in dicht te knijpen, wat ik een paar jaar geleden tot bloedens toe had gedaan. In de keuken werd ik totaal radeloos. Ik wist op dat moment niet meer wat ik aan het doen was.

3
Toen ik de aanrechtbak zag dacht ik in een instant: ik doe het daar wel in, er is toch niemand die het ziet. Ik moest wel enige kotsneigingen onderdrukken vanwege de viezigheid die er in lag. Ik kon nog net zonder te morsen in de aanrecht boven op de kopjes, schoteltjes en bestek urineren. Wat ik toch een hele kunst vond. Halverwege deze enorme opluchting hoorde ik het geklik van hoge hakken op de verkeerde plavuizen. Toen ik mij omdraaide was het duidelijk te laat en keek de gastvrouw zonder een spier te vertrekken naar dat pissende ding van mij. Ik wist niet hoe snel ik dat ding in mijn broek moest frommelen.
‘Sorry,’ zei ik, terwijl ik haar nauwelijks durfde aan te kijken.
Ik maakte aanstalten om ter vergoeding de kopjes schoon te maken.
’Dat hoeft niet,’ zei ze.
Waarop ik naar buiten liep en naar Maria gebaarde dat wij beter naar huis konden gaan. Op dat moment riep gastheer: ‘jammer dat jullie naar huis gaan. Het wordt net gezellig.’
’Kom nog eens snel langs,’ riep iedereen in koor.
Maria en ik liepen gearmd de oprit af. Even buiten de oprit sloeg ik te snel rechts af en viel in een ondiepe kuil van het talud. Hoe kan dat nou, vroeg ik mij wanhopig af, ik heb hooguit drie glazen champagne op en meer dan genoeg gegeten. Maria hielp mij om op te staan en wij liepen min of meer schamend naar huis.
Daar wilde ik een ding en dat was slapen. Op mijn slaapkamer hoorde ik een verschrikkelijk gedreun in mijn hoofd. Ik liep naar de badkamer en nam een douche, omdat ik veronderstelde dat dan het gebons in mijn hoofd wel over zou gaan. Toen ik weer terug in de slaapkamer kwam, met een handdoek om mijn lijf geslagen, werd het geluid steeds sterker. Pas toen realiseerde ik mij dat de bron niet in mijn hoofd was, maar ergens in de slaapkamer. Ik maakte er een opmerking over tegen Maria. Alsof iemand luisterde hield het tegelijkertijd op. Gerustgesteld dat het lawaai was verdwenen zijn we in slaap gevallen.
Wat ik mij daags daarna had moeten herinneren, wat er gebeurd was, is uit mijn systeem gehaald. Sinds begin 2005 kan ik veel van de uit mijn geheugensysteem gewiste voorvallen in belangrijke mate weer herinneren. Er zijn natuurlijk wel veel details die ik ben vergeten. Of ze belangrijk zijn weet ik tot op heden niet zeker.

4
Mijn geheugen is zeer merkwaardig te noemen. Ik kan moeiteloos de hele Ilias en Odyssee van Homerus, in het oorspronkelijk Grieks metrum, uit het hoofd voordragen. Deze waar gebeurde volksvertellingen zijn immers, nog niet zo heel lang geleden, door mij aan het papier toevertrouwd. Terwijl wanneer van mij verlangd word, zoals vroeger op school, mij een bepaalde stof in te prenten het werkelijk niet lukt iets te onthouden. Wat dit betreft heb ik de moed op gegeven. Het voordeel is dat ieder moment nieuw is. Voortdurende verbazing is mij deel.
Mijn dromen zijn geen bedrog. Mijn dromen zijn werkelijkheid en vormen een groot, zo niet het grootste deel, van mijn leven. Mijn lichaam ligt daar ogenschijnlijk wel, maar een gedeelte van mijn echte leven speelt zich af in een droomlichaam. En dit gebeurt op een manier die voor mij aanvaardbaar is. Hoe ik dit doe weet ik niet. Ik heb er wel een theorie over ontwikkeld. Een andere, tegen mijn wil opgelegde, methode rust op gevaarlijke elektromagnetische golven. Mij is bekend hoe dit gebeurt. Ik ga hier verder niet op in vanwege het feit dat deze manier van verplaatsing enorm schadelijk is voor het menselijk lichaam.

Ik moest juist in slaap gevallen zijn toen ik gewaar werd dat twee mensen mij uit mijn bed optilden. Ik werd een kort moment wakker.
‘O, hij is wel naakt,’ hoorde ik de vrouw van de Griek zeggen.
‘Zo, wanneer jij nu even die apparaten goed neerlegt zal ik op het knopje drukken,’ zei de Griek tegen zijn vrouw.
Daarna bevond ik mij in een totaal andere omgeving.
‘Hu, je bent naakt’, hoorde ik nogmaals en kreeg ik een stapeltje kleren toegeworpen.
Ik bevond mij in een vrij grote kamer met allerlei apparatuur uit de natuurkunde klas van de Lombardijnen kostschool St. Louis. Ik bleef een hele tijd volbewondering naar de martelstoel kijken waar een zekere Romanov uit Roemenië, ongeveer 700 jaar geleden, gemarteld werd. Zijn neef Dracula had hem gevangen genomen en weerloos gemaakt door wijn. Lang daarvoor was Romanov in een gevecht met een weerwolf gebeten en veranderde daarop bij tijd en wijlen, afhankelijk van de stand van de maan, eveneens in een weerwolf. Misschien kunt u zich herinneren dat Dracula, de verkeerde kant van de familie, daarna een essence, niet groter dan een borrelglaasje, van hem heeft gemaakt. Waarmee het monster van Frankenstein tot leven werd gewekt. Dit soort experimenten deed Dracula graag. Het was een nachtvullende bezigheid. Overdag sliep hij in een houten kist met het deksel dicht. Hij kon niet tegen het directe zonlicht. Vele eeuwen later lukte hem dit wel, zodat hij nu frank en vrij in Den Bosch rond loopt.
Dit alles gebeurde in de donkere middeleeuwen die alleen duister was voor de honden, omdat zij gewoonweg niet tegen het zonlicht konden. Bovendien waren ze bang voor bijen die alleen overdag vliegen en het vooral niet hebben op de lucht van honden. De aderen, vlak onder hun huid, werden blauw. Jaren, vele jaren later, zijn ze door een hoog geplaatst iemand, van gelijk kaliber, in de adelstand verheven en zegt men nu dat mensen van adel blauw bloed hebben.

5
Mijn aandacht werd plotseling getrokken door een soort voltmeter. Ik herkende dit apparaat onmiddellijk. Vroeger stond het in het natuurkunde lokaal van St. Louis. Ik wilde juist de hendel overhalen om te kijken of het apparaat nog werkte toen ik een stem achter mij hoorde.
‘Dat zou ik niet doen Cappy. Hij werkt nog en er is andere apparatuur op aan gesloten. Je weet maar nooit. Je hebt hem nu aangeraakt. Ik wist dat je dit zou gaan doen en heb voorzorgsmaatregelen genomen.’
De stem herkende ik uit duizenden en ik kromp in elkaar van schrik. Bovendien voelde ik een bepaalde verlegenheid in mij opkomen, omdat ik iets in het huis van iemand anders had aangeraakt. Ik realiseerde mij dat ik er al die tijd bewust van was geweest dat iemand mij had gade geslagen. Ik draaide mij om en zag JW, de grootste pedofiel van de wereld, ineens achter de martelstoel staan.
‘Kom even hier op de stoel uitrusten,’ zei hij en wuifde uitnodigend naar de stoel.
Ik lachte schamper en sloeg natuurlijk geen aandacht op zijn uitnodiging om in de stoel te komen zitten. Daarop liep hij op mij af en gaf mij een hand. Alhoewel ik dit beter niet had moeten doen. Meestal zat er wel een component van een of ander gif op en ik had juist al de hendel van de voltmeter aangeraakt.
‘Ja, Cappy. De meest van deze relikwieën herken je. Veel attributen heb ik van St. Louis gekregen, omdat ik de kerk heb laten restaureren.
‘Waarom noem je mij nog steeds Cappy. Sinds dat ik 21 ben sta ik erop dat iedereen mij Caspar noemt!’
‘Vooruit, Caspar dan in het vervolg.’
Mijn angst voor verdoving werd werkelijkheid.
Ik kwam tot mijn positieven op het terras van een hoog, bruin geschilderd, restaurant, met witte luifels en eigen aanlegsteiger aan een brede rivier. De Griek en zijn vrouw verwelkomden mij hartelijk. Het was midden overdag, bloedheet en de zon stond loodrecht in het zwerk.
‘Waar ben ik eigenlijk?’
‘In Ayutthaya iets ten noorden van Bangkok.
‘Hoe ben ik hier gekomen?’
‘Via elektromagnetische golven. Niet met een vliegtuig. Dat duurt veel te lang en is bovendien erg gevaarlijk.’
‘Hoe werkt dat?’
‘Heel gemakkelijk. Je gaat tussen enkele apparaten instaan. Dan druk je op een knopje en ben je ergens anders. Je kunt het niet te vaak doen vanwege de schadelijke invloed van de elektromagnetische golven. Ik doe het zelf twee maal per jaar. Anderen bekommeren zich daar niet om en gaan wanneer ze willen.’
‘Inderdaad veel gemakkelijker dan met een vliegtuig.’

6
‘Ook vele malen sneller. Bovendien die kisten, zeker die grote, kunnen nauwelijks opstijgen. Wij verhuren veel vliegtuigen aan andere maatschappijen. De passagiers hebben het toch niet in de gaten dat ze op deze manier via de korte radiogolven reizen. Daarom zie je nauwelijks vliegtuigen boven Bangkok. Wij verdienen er geld mee en dat is het enige wat telt.’
‘Waarom zijn jullie hier?’
‘Dit restaurant is van mij. Ik heb het van iemand gekregen als beloning voor het feit dat ik in jouw huis allerlei apparatuur in de vloeren heb laten verbergen. Wij kunnen ieder woord van je horen waar je ook in je huis bent. Bovendien teleporteren. Alleen deze keer hebben we je opgehaald met onze eigen apparatuur. Stel je voor dat je juist bezig was met je vriendin.’
Een Thaise van een jaar of veertig bediende ons. Ik kon mijn aandacht niet van haar af houden. Ik werd voornamelijk aangetrokken door een grillige streep van ongeveer vier millimeter breed op haar gezicht. Het leek het meest op een traan en liep van haar linkeroog tot net voor bij haar mondhoek.
‘Zo te zien vind je haar leuk. Jammer voor jou. Zij spreekt alleen Thais.’
Daarop sprak hij enkele woorden in het Thais tegen haar. Vervolgens keek ze mij indringend aan. Toen ze zich omdraaide wilde ik wat tegen haar zeggen. De Griek onderbrak mij en zei: ‘ik zou oppassen. Zij lust jou rauw.’
Iedereen van het gezelschap sloeg dubbel van plezier.
Aan het andere einde van het terras zat een stel mensen stil voor zich uit te staren.
‘Wie zijn dat,’ vroeg ik.
‘Een stel uit Nederland. Het zijn verse klonen. Een nieuwe generatie van een nogal domme hond. Daarom kunnen ze nauwelijks praten. En al helemaal niet rekenen. Zij hebben ons in het verleden een dienst bewezen. Vandaar dat wij hen aan enkele video verhuurwinkels geholpen hebben. Onder meer in Lopburi, Angthong en Ayutthaya. Ze kunnen er goed van rondkomen. Ze komen voor niets aan de films. Het zijn kopieën die ze vanuit Nederland naar hier laten komen. Niemand verwacht dat. Het is altijd andersom. Van Thailand naar Nederland.’
Op een gegeven ogenblik kwam er een Thaise man aan tafel staan die een slof sigaretten aan de Griek gaf.
‘Daar kan ik vanavond voorlopig mee vooruit. Ik heb een nieuwe werkploeg nodig voor mijn sigarettenfabriek. Zo’n man of twintig. Handjes zijn, vooral indien je ze niet hoeft te betalen, goedkoper dan machines. Ik produceer de sigaretten in licentie voor een bekend merk. Vanavond even scoren.’

7
Naast de Griek zat Paul. Een Indonesiër en buurman van de Griek uit Brabant. Hij toonde zich duidelijk jaloers.
‘Hoe bedoel je,’ vroeg ik.
‘Dit pak sigaretten heb ik speciaal in mijn fabriek laten maken. Er zit benzo dioxine in. Wanneer iemand ze rookt is men een tijdje uitgeschakeld. Daarna krijgen ze een koptelefoon op, zodat ze niet meer weten waar ze aan toe zijn.’
‘Wat is benzo dioxine,’ vroeg ik.
‘Een soort verdovingsmiddel. Weet je nog van die koeien in Nederland waarvan de melk een te hoog gehalte aan dioxine had door uitstoot van een verbrandingscentrale? Daarmee is het te vergelijken. Door het gif zijn de sigaretten veel zwaarder dan normale. Kijk maar.’
Hij liet een pakje op de grond vallen. Daarna een normaal pakje. Het verschil was duidelijk te horen.
‘Wonen hier nog meer bekenden in de omgeving,’ vroeg ik. ‘Ik zag een reclame vlag van Amstel bier.’
‘Nog veel meer. In bijna ieder huis hier langs de rivier wonen Nederlanders. Verderop liggen in een zijarm van de rivier een tiental boten. Daar wonen eveneens Nederlanders. Die hebben geen geld om hier een huis te kopen. Die vlag van Amstel bier, iets stroomafwaarts, naast een ander restaurant met enkele grote houten boten aan de steigers, hangt voor het huis van een paar nichten. Je kent ze goed.’
‘Hoe heten die nichten?’
‘Dat vertel ik niet. Die mensen willen niet dat jij weet dat ze hier wonen.’
Zo gemakkelijk kwam hij natuurlijk niet van mij af. Wanneer mijn nieuwsgierigheid niet wordt bevredigd blijf ik blijf ik aandringen. Overigens een verkeerd trekje van mij.
‘Ik weet het goed gemaakt,’ zei de Griek. ‘Ik stuur iemand naar hen om te vragen of ze jou willen zien. Dan is het aan hen om te beslissen.’
‘Ik weet wie het zijn, het kan niet anders. Het is mijn broer en zijn vriend!’
Even later kwamen ze opdraven. Het was een hartelijk weerzien en ze nodigden mij uit voor een ritje met hun auto. Hun huis kon ik wel een andere keer zien. Nu even niet. Het was een bak van een grote terrein legerauto. Hij leek het meest op een pantserauto. Nog in de oorspronkelijke kleuren.
‘Zuipt hij niet enorm,’ vroeg ik.
‘Hij gebruikt 1 op 1, maar de brandstof is hier bijna voor niets.’
Ik mocht niet of nauwelijks naar buiten kijken en lag voorin voor de stoel op de bodem. Een halfuur later stopten we en kwamen we bij een grote visvijver ten noorden van Ayutthaya, waar we werden verwelkomd door de Nederlandse eigenaar en zijn vrouw. Zo te horen uit Brabant, dus wel vertrouwd en gemakkelijk voor mij. Zelf woonden ze aan de andere kant van de provinciale weg op een stuk grond van ongeveer een hectare groot. Met een grote moestuin waarop veel bananen en mango bomen groeiden. Zij vertelden mij dat de visvijver een goede verdienste was en dat ze van de opbrengst goed konden rondkomen. Vervolgens lieten ze mij hun gloednieuwe obligate Volvo stationcar zien.

8
Vermoedelijk heeft men mij toen weer gedrogeerd. Ik werd wakker op het terras van het restaurant met de witte luifels. De vrouw met de traan schonk mij een glas wijn in. Ik kon mijn blikken weer niet van haar afhouden.
‘Wees nu voorzichtig,’ zei de vrouw van de Griek. ‘Doe dat niet. Ze is echt levensgevaarlijk.’
Zij fluisterde even met haar man. Daarop gaf deze de vrouw te verstaan dat haar aanwezigheid niet langer op prijs werd gesteld.
‘Ik vertrouw het niet langer,’ zei de vrouw van de Griek plotseling. ‘Hij kan veel beter weggaan. Direct is hij nog Tothsakkin. Als dat waar is vermoord hij ons nog. Niemand zal weten dat het gebeurd is. Wij zijn hier niet officieel. Wij hebben geen visum. Eigenlijk zijn wij hier dus niet.’
‘Hoe kan dat nu,’ vroeg de Indonesiër bedeesd. ‘Ik dacht dat degene die hem met het bootje gebracht heeft Tothsakkin is.’
‘Er zijn er twee,’ antwoordde zij. ‘Die daar beneden in zijn bootje heeft geen vrienden meer. Alle dieren willen niets meer met hem te maken hebben. Hij heeft alleen ons nog en wij zijn weer kompleet van hem afhankelijk.’
Haar man keek mij doordringend aan en zei: ‘stel je voor dat hij werkelijk Yag is dan gaan we er met zijn allen aan. Laat hem weggaan. Nu!’
Een ogenblik later, alsof hij wist dat men het over hem had, hoorde ik een stem vanuit het bootje: ‘Cappy, ik bedoel Caspar, kom naar beneden, naar de boot.’
Ik moest in de huifboot onder het zeil gaan liggen. Midden op de rivier maakte ik duidelijk dat ik naar buiten wilde komen.
‘Nee, blijf lekker liggen. Je bent veel te slaperig. Komt van al die drugs. Bovendien, zodra jij je hoofd naar buiten steekt wordt er op jou geschoten. Er zit een gaatje in het zeil. Kijk daardoor naar buiten.
‘Geschoten?’
‘Iedereen ziet onmiddellijk dat jij het bent. Al die Nederlanders hier!
Wij voeren langs een voor de helft gezonken boot met in het midden een volop groeiende boom. Er waren enkele mensen aan het zwemmen.
Het huifbootje meerde bij een steiger aan, schuin tegenover het bruin geverfde restaurant met de witte luifels. Ik meende dat ik weer terug was op de plek waar ik in het begin was gearriveerd, bij het huis waar ik de voltmeter en de martelstoel had gezien. Vlak voor het huis stond een klein torentje, een Thais tempeltje, van enkele meters hoog.
Bij de afrastering stond een bord met de tekst: 10.000 volt.
In het torentje stond een houten luik open.
‘Steek je hoofd er gerust in.’
Binnen zag ik in een kist een mummie liggen.
‘Wat klein,’ zei ik verwonderd.
‘Ja, de farao’s waren niet groot.’

9
Dit was het laatste dat ik mij kon herinneren van mijn uitstapje naar Ayutthaya. Het volgende ogenblik bevond ik mij in de woonkamer van het huis van de Griek in Den Bosch.
‘Kom, ik breng je samen met mijn vrouw naar je huis. Loop maar tussen ons in.’
‘Ik heb geen kleren aan.’
‘Geeft niet. Hier heb je een jas en een paar schoenen.‘
Inmiddels was het licht geworden. Ze brachten mij lopend naar mijn huis en de Griek opende de voordeur voor mij.
‘Hoe kom je aan mijn huissleutel?’
‘Die hebben we van iemand gekregen. Nou, vooruit maar. Geef de jas en schoenen terug. Ga nog even slapen. Het is bijna zes uur in de ochtend.’
Toen ik wakker werd veronderstelde ik dat ik gedroomd had. Ik werd wakker op het moment dat ik het gezicht van die vrouw met de traan in mijn droom zag.
Volgens Maria was ik die nacht enkele uren weg geweest.
‘Je hebt je echt vergist. Waar ben ik dan geweest?
‘Toch weet ik zeker dat je enkele uren weg was. Ik dacht dat je ergens in huis rondliep. Ik heb je geroepen en je gezocht.’
‘Gewoon belachelijk, hoe kom je er bij. Je hebt wel meer van die rare veronderstellingen.’

In de loop van de ochtend herinnerde ik mij het schandalige gedrag van de vorige avond door in het aanrecht te urineren. Ik kocht een bos bloemen en heb dat aan de Griek gegeven. Zijn vrouw was niet thuis. Ik bood mijn verontschuldigen aan.
Wanneer ik toen had geweten wat er zich in werkelijkheid had af gespeeld waren zij er niet op deze manier van af gekomen.

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.