Hoofdstuk 41. St. Louis. Na dertig jaar.

Enkele weken nadat Maria mij tijdens die nacht enkele uren gemist had ging ik met haar op een zondagochtend naar Oudenbosch om mijn oude kostschool St. Louis te bezoeken.  Ik was er na mijn eindexamen, in 1963, nooit meer geweest.
Toevallig was er een open dag in het kostschoolgebouw. Het had reeds lang geen functie meer als kostschool. Vrijwel alle broeders van liefde, zoals de naam van de orde luidde, hadden hun pij aan de wilgen gehangen. Op het moment dat ik het grote binnenplein van de kostschool opliep viel ik bijna om van verbazing. Alle afmetingen waren vele malen kleiner dan wat  ik er van herinnerde.
De gebouwen hadden bepaald niet meer de allure van destijds. Aan het einde van de koer stonden de deuren van de kerk open en kwamen flarden van muziek en gezang tegemoet. Speciaal voor deze open dag bleek er een dienst gehouden te worden met het plaatselijke koor.
Ik vond het allemaal iets te veel van het goede. Mijn herinneringen aan vroeger speelden mij parten. Vooral op zondag was het puur ellende. ’s Morgens naar een Mis. ’s Middags een Lof met tienmaal het rozenhoedje kwelen en ’s avonds weer een dienst. Om kotsmisselijk van te worden.
Toen wij de kerk uitliepen kwamen wij een groep mensen tegen die door een pater rondgeleid werden. Ik kon zijn gezicht vaag herinneren. Ik liep op hem af en gaf hem een hand.
‘Goede morgen. Ik ben Caspar, vroeger heette ik Cappy, misschien kent u mij nog?’
‘Ja zeker,’ antwoordde hij en onmiddellijk veranderde zijn gezicht in een donkere wolk.
‘De kerk is mooi geworden,’ zei ik, enigszins van slag door zijn verandering van houding.
‘Wij hebben geld gekregen van iemand als dank voor de goede opvoeding die hij hier in zijn jeugd heeft gehad.’
‘Wie is dat? Misschien ken ik hem.’ En dacht: die goed opvoeding heb ik hier bepaald niet gehad.
‘Dat wil ik niet zeggen. Hij is nu een zeer bekende filmproducent in Hollywood.’
Daarna vroeg ik hem of ik de oude refter en studiezaal mocht zien.
‘Geen bezwaar,’ antwoordde hij nors. Hij draaide zich om en liep met het groepje bezoekers de kerk in.
Vanuit de koer maakte ik de deur open naar de refter. Ik verwachte eerst een lange gang te zien. Met marmeren vloeren en een hoog plafond. Niets beantwoordde aan dat beeld. In tegendeel, het was een smal gangetje, laag plafond, lelijke vervallen gepleisterde muren en vieze oude kleden op de grond. Uit nieuwsgierigheid trok ik een van de kleden omhoog en zag een gescheurde betonnen vloer.
‘Ze hebben alles afgebroken. Dit houd ik niet voor mogelijk,’ fluisterde ik tegen Maria.

2
Aan het einde van de gang verwachte ik, aan de linkerkant, de zeer ruime studiezaal met hoge ramen. Het was niet meer dan een klein hok. Ik kon mij herinneren dat tussen de studiezaal en de refter een enorme hal was. Met een moderne houten trap die naar de eerste verdieping leidde. Ik kon mij die trap goed herinneren, omdat daaronder een tennistafel stond waar ik vaak op speelde. Ook die trap was er niet. Toen ik de deur aan de rechterkant van de hal naar de refter opende zag ik een oud een vies vertrek, niet groter dan 4 x 4 meter, terwijl ik mij herinnerde dat het een zeer ruime refter was, van minstens 10 bij 40 meter, met hoge ramen en uitzicht op een pleintje.
‘Wat is hier aan de hand,’ vroeg ik aan Maria. ‘Alles is veel kleiner geworden.’
‘Ik weet dat niet. Ik ben hier voor de eerste keer.’
Sinds begin 2005 heb ik het vreemde idee dat ik misschien nooit op de kostschool St. Louis heb gezeten. Dat al die herinneringen in mijn geheugen zijn geprojecteerd. Een andere mogelijkheid is dat men destijds mijn hersens zodanig heeft gemanipuleerd dat ik in een hologram leefde. Ik meen mij nu ook te herinneren dat ik hierover destijds opmerkingen in mijn hoofd hoorde. Men had de afmetingen groter gemaakt en in mijn hoofd geprent. Anders was ik daar  beslist weggelopen. Ik weet nu nog steeds niet de ware toedracht van het een en  ander. Ik hoop hier in de toekomst achter te komen.
Ook het afscheid van iedereen, nadat we de einddiploma’s uitgereikt hadden gekregen, verliep zeer vreemd. Niemand kende mij. Niemand gaf mij een hand. Op het moment dat wij bij Maria, thuis in Breda, terug kwamen vertelde zij dat ze met onze gemeenschappelijke vriendin Pia moest telefoneren. Ik had Maria via haar leren kennen. Het gesprek duurde meer dan een half uur. Daarna kwam ze naar beneden en maakte enkele borrelhapjes waarvan zij niets nam.
‘Waarom neem jij niets,’ vroeg ik haar.
‘Nee, dat kan niet. Ik moest er wat instoppen van Pia.’
‘Doe niet zo raar.’
‘Nee, het is zo. Bovendien kon ik het van Pia best vertellen dat ik er iets in gedaan heb. Je vergeet het toch weer.’
Na korte tijd raakte ik hopeloos in de war. Ik kon niet begrijpen wat ik op mijn oude kostschool had gezien en wat er met mij aan de hand was. Ik dronk te veel wijn en raakte nog meer van slag.
Ik schreeuwde een enkel woord: ‘fug, fug, fug. ’
‘Hou nu eens op! Dat laat je altijd in de films die jij maakt roepen. O jee, wat heb ik nu gezegd. Dit had ik niet mogen zeggen.’
De volgende ochtend wilde haar zoon niet bij mij aan de ontbijt tafel zitten, omdat ik voortdurend zijn moeder had uitgescholden.
Ik kon mij hier niets meer van herinneren.

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.