Hoofdstuk 48. Overtoom.
Nadat ik in het begin van 2005 voor een korte tijd terug was in Amsterdam ging ik geregeld koffie drinken in het Spaanse restaurant DOS.
In Vrij Nederland, No 6, jaargang 2005, stond een artikel over Villa Betty op de Overtoom en zijn bewoners. De nacht daarop kreeg ik in een droom enkele onsamenhangende beelden over deze villa te zien. Vandaar dat ik de volgende dag terug ging naar DOS om het artikel opnieuw te lezen. Met als bedoeling er achter te komen of de beelden die ik er over in mijn droom had gehad overeenkwamen met de realiteit.
Een tafel naast mij zat een nogal zwaarlijvige dame van tegen de vijftig luidkeels met de kok van het restaurant te praten. Ik begreep dat zij bij de televisie werkte en producent was.
Van de kok hoorde ik dat hij voor verschillende damestijdschriften werkte. Hij moest de maaltijden, samen met een styliste, zo goed mogelijk etaleren, zodat de fotograaf zijn werk kon doen.
‘Loopt leuk,’ zei hij.
Zij zat niet goed in haar vel. ‘Dat met mijn vader en moeder weet je wel en wat moet ik met mijn werk. Moeilijk om aan een goed onderwerp te komen. Politiek kan ik doen, een praatprogramma over homo’s. Ik heb het wel gehad, wat een onzin allemaal, erg afgezaagd, niets is meer nieuw.’
Zij dronk om vier in de middag al sloten wijn. Zo te zien was zij in het begin van de overgangstijd. Ik kon nog net de neiging onderdrukken om tegen haar te zeggen of het niet eens tijd werd naar huis te gaan om haar aquarelletjes af te maken.
Even later kwam er een vriendin van haar langs. De zwaarlijvige dame begon onmiddellijk haar vriend de grond in te boren. Hij was er niet bij en kon zich niet verweren. Bovendien konden alle aanwezigen het gesprek volgen.
‘Al met al loop ik ook nog in de ziektewet.’
Bij iemand in dienst dus, dacht ik.
‘Het is te warm hier,’ riep ze.
Op het moment dat ik tegen haar wilde zeggen dat zij beter naar buiten kon gaan stond ze op en stak haar hoofd uit de deur opening.
‘Zo, dat frist op,’ zei ze en gebruikte een bierviltje als waaier om verder af te koelen.
Zij liet de deur openstaan.
‘Binnen is het veel te warm,’ riep zij nogmaals.
Ik wilde tegen haar zeggen: mevrouw als u last van opvliegers hebt en het daardoor te warm krijgt kunt u beter buiten blijven staan tot u bent af gekoeld. Wanneer u de deur open laat staan krijg ik het koud.
2
Voordat ik dit wilde zeggen werd mij de pas af gesneden door iemand die vlak bij de deur zat.
‘Ha, dat is goed. Even verkoeling. Ja en dan al die rook, hè, het ziet hier blauw.’
Door al dat gedoe besloot ik naar huis te gaan. Ik kreeg het echt koud, stond op en legde de VN terug op de plank met tijdschriften, vlakbij de uitgang. Inmiddels was ik kwaad en zeer opgewonden geworden. Niet vanwege die mevrouw, maar vanwege enkele flashbacks over Villa Betty.
Toen ik terug liep naar mijn tijdelijk onderkomen moest ik aan de kok van Dos denken. Ik vroeg mij af of die styliste waarmee hij samenwerkte misschien mijn oude vriendin, Maria uit Breda, zou kunnen zijn. Wat is Nederland toch merkwaardig klein, dacht ik. Onwillekeurig moest ik daarna denken aan Pia en Erik, uit het bos bij Schipluiden, via wie ik haar had leren kennen.
De volgende ochtend nam ik de beslissing om naar de Overtoom te gaan. In de hoop dat ik door het zien van de villa mijn herinneringen volledig terug zou krijgen.
Ik bleef voor het hek stilstaan en werd overvallen door hevige emoties. Ik herkende de villa onmiddellijk. Ik was hier 35 jaar geleden eerder geweest.
Het was op een zaterdagavond. Ik sliep reeds toen de telefoon overging. Toen ik opnam hoorde ik de stem van JW. Hij vroeg of ik zin had in een feestje.
‘Waar?’
‘Vlakbij. Op de Overtoom. Villa Betty. Lopend ben je er binnen vijf minuten’
Op het moment dat ik bij de poort aanbelde liepen er twee vrouwen op de stoep. Wij zeiden elkaar gedag. Ik kende hen van gezicht. Zij woonden op de Overtoom.
Binnen werd ik verwelkomd door de gastheer die mij naar een kamer leidde waar zes oudere heren voor een brandende openhaard zaten.
‘JW is nog aan het telefoneren. Hij komt straks,’ zei de gastheer en stelde mij aan iedereen voor.
‘Ik zal maar met de deur in huis vallen,’ zei de gastheer, een kale man. ‘Ik heb gehoord dat je kunt goochelen. Wil je ons een paar trucjes laten zien?’
‘Ik vrees dat ik mij niet zo goed kan concentreren. Eerder op de avond heb ik een wietje gerookt en toen JW telefoneerde lag ik al te slapen.’
‘Ach kom,’ zei hij joviaal. ‘Probeer het eens. Wanneer het niet lukt zien we wel weer verder.’
Ik concentreerde mij op een lege stoel. Na enige tijd lukte het mij om hem van de grond te krijgen en op en neer te laten dansen.
3
Dicht bij het openhaardvuur zat een iets oudere heer, een mijnheer Houtema, mokkend en duidelijk met weerzin, het schouwspel te bekijken. Voordat hij een opmerking over mijn kunstje wilde plaatsen nam ik de controle van zijn lichaam over. Ik zorgde ervoor dat hij de spieren van zijn kaken niet meer kon bewegen. Als klap op de vuurpijl liet ik schoksgewijs zijn schouders, zijn borst en zijn benen op en neer gaan, waarop de blik van verbijstering in zijn ogen toenam.
Ja, dacht ik, ik zit hier niet voor de kat zijn viool. Wat heb ik met hem te maken. Hij is net zo goed een gast als ik. De gastheer heeft mij hierom gevraagd en hij heeft zich nergens mee te bemoeien.
Enfin, juist toen ik van plan was zijn eikel in zijn pedofiele bek te stoppen kwam de vrouw des huizes aangerend.
‘Dit is tovenarij,’gilde zij en bleef stokstijf in de deuropening staan.
‘Nee hoor, wat u ziet is echt’, zei ik om haar gerust te stellen.‘U hoeft zich nergens zorgen over te maken.’
‘Laat hem ophouden,’ gilde zij naar haar de gastheer.
Door haar gegil kwam JW om de hoek schieten, raakte mijn hand aan en was ik de kluts kwijt.
Daarop werd ik door een van de aanwezigen naar huis gebracht.
‘Je moest eens weten,’ zei hij, toen ik mijn sleutel in het slot stak.
‘Wat bedoel je daarmee?’
‘Dat jij hier woont en hij daar.’
‘Ik begrijp je niet.’
‘Het is niets bijzonders. Ga nu maar slapen. Morgen ben je alles vergeten.’
Ik werd wakker in mijn bed, in mijn slaapkamer, en begon de dag met frisse moed. Ik was blijkbaar alles vergeten.
Die ochtend was ik aan mijn auto aan het prutsen en werd ik aangesproken door een vrouw van de Overtoom.
‘Ik heb je gisteren avond voor het hek van villa Betty gezien,’ zei ze.
‘Je bent gek,’ zei ik. ‘Dat ben ik niet geweest.’
‘Het is echt waar! Iedereen vraagt zich, al tijden, af wie jij bent. Er gaan nogal wat geruchten. Volgens ons ben je schat en schatrijk. Jij wilt er gewoon niet voor uit komen. Misschien begrijpelijk dat je zo doet. Vriendinnen en vrienden van mij hebben jou vaak voor de poort van de villa gezien.’
‘Hoe kan dat nu! Ik ben daar noch nooit geweest. Als iemand dat moet weten dan ben ik dat toch wel!’
‘Je moest eens weten. De Overtoom is een klein dorp. Iedereen kent elkaar en iedereen weet wie jij bent.’
‘O, ja?’
4
‘Mijn tantes liggen de hele dag op de loer. Ze hebben twee diefjes. Een spiegeltje dient om op straat te kijken en de ander voor de voordeur. Mijn tantes bellen zelfs met elkaar wanneer ze jou op straat zien lopen. Dan hangen ze met zijn allen met hun neus voor het raam om jou te volgen.’
‘Is dat niet een beetje overdreven?’
‘Mijn tantes zitten zo in elkaar. Ze kunnen er niets aan doen. Het zijn honden.’
‘Doe niet zo raar.’
‘Nou het is zo. Neem dat maar van mij aan!’
‘En jij dan? Wat ben jij?’
‘Ojee, nu krijg ik het warm.’
Voordat zij weg wilde lopen nodigde ik haar voor de komende vrijdag uit om een glas wijn te komen drinken.
‘Dat doe ik,’ riep ze en zette er een stevige pas in.
Na het eerste glas wijn op die avond vroeg zij of ik met haar mee wilde gaan naar een feestje op de Keizersgracht. Ik had er niet zoveel zin in. Ik ging nooit naar feestjes. Ik vond er niets aan. Na enige stribbelingen kon ik er niet meer onderuit en reden we in mijn oude auto naar de Keizersgracht. Daar stelde zij mij voor aan de gastheer. Hij heette Houtema en was scheikunde leraar. Ik kreeg een pilsje in mijn hand gedrukt en mijn vriendin werd door de gastheer uitgenodigd voor een dansje.
Het was een schitterend grachtenhuis. Hoge beschilderde plafonds. Een gigantische schouw.
Ik raakte met enkele andere gasten in een nogal merkwaardig gesprek.
‘Je mag van geluk spreken. Wij hebben de gastheer uitdrukkelijk moeten beloven dat wij jou geen letstel zullen toedienen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik ben familie van hem. Door jouw bemoeienis hebben wij ons bedrijf veel te goedkoop moeten verkopen. Het scheelde minstens een miljoen.’
‘Ik begrijp je niet.’
‘Misschien is dat wel goed ook. Ga er van uit dat het zo is!’
‘Wat bedoel je met letsel?’
‘Lichamelijk letsel. Bloed. Gif is geen probleem. Dat mocht wel,’ zei hij en tikte aan mijn glas.
‘Sorry, ik begrijp echt niet waar je het over hebt. Het ontgaat mij volledig.’
Op dat moment kreeg ik een zeer onbehaaglijk gevoel.
‘Wanneer je verstandig bent ga je nu weg. Anders gebeurt er nog echt wat. Zo langzamerhand verlies ik mijn geduld.’
Ik ging terug naar mijn vriendin. Zij was nog steeds met de gastheer aan het dansen.
Ik vertelde haar dat ik naar huis wilde gaan.
‘Doe dat. Het is beter voor jou.’
Ik heb uren naar mijn auto lopen te zoeken. Toen ik hem eindelijk terugvond heb ik er uren over gedaan om op de Overtoom te komen.
Daarna kwam ik de Overtoomse vrouw nog wel eens tegen. Ik wilde niet meer met haar spreken. Misschien wel heel onterecht. In principe had zij een goed karakter. Ik identificeerde haar met mijn bijzonder slechte ervaring op het feestje bij de familie Houtema. Ik denk dat wanneer ik haar nu, 35 jaar later, weer zou ontmoeten onmiddellijk zou herkennen.
5
Enige maanden later brandde mijn huis op de Overtoom af. Midden in de nacht werd ik wakker van een kletterend geluid. Ik draaide mij nog eens om. Ik dacht dat het regende. Ik was toch niet helemaal gerust en vaag drong tot mij door dat ik een rode gloed waarnam. Ik werd pas helemaal wakker door een heftig gebons op de voordeur.
‘Brand, brand,’ werd er geroepen.
Haastig trok ik mijn kleren aan. Op de vloer van de zitkamer lagen grote plassen water. Buiten was de brandweer boven op een ladder aan het blussen. Het dak stond in lichterlaaie.
Die nacht sliep ik in het rampen hotel. Op een klein kamertje met alleen hoog boven mij een zolderraam. Toen ik de volgende ochtend bij mijn huis kwam was de gemeentelijke ophaaldienst bezig al mijn spullen in te pakken. Lachend liepen ze met mijn verzameling boeken en langspeelplaten de deur uit.
‘Het gaat allemaal naar onze opslag,’ zeiden ze. ‘Daar kun je het ophalen, zodra je een ander huis hebt gevonden.’
In een hoekje van de tuin, onder een struik, zat mijn poes verscholen, helemaal in de war. Zij is nooit meer over de brand heen gekomen, bleef getraumatiseerd en gedroeg zich totaal anders dan voorheen. Ik kon alleen mijn best doen om goed voor haar zorgen.
De maanden die er op volgden werd ik een luxe zwerver. Ik trok van de ene vriendin naar de andere. Ik kon en wilde mij niet hechten. Toen ik uiteindelijk een onderkomen voor mijzelf had gevonden ging ik naar de gemeente opslag en bleek dat meer dan de helft van mijn spullen verdwenen was.
Dertig jaar later vertelde mijn broer dat hij de brand had veroorzaakt en mijn spullen, zonder mijn medeweten, had opgehaald. Hij durfde dit aan mij te vertellen nadat ik eerst door hem was gedrogeerd.
Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina
Casparus RH
December 2005. Copyright ©.