Hoofdstuk 55. Jacob Cats kade.
Op 21 februari 2005 stond ik op het boogvormige terras bij de Kattenslootbrug in Amsterdam. Aan de linkerkant begint de Jacobs Cats kade. Aan de overkant in het verlengde van de Nassaukade begint de Tweede Nassaustraat. In het midden van de Jacobs Cats Kade, aan de andere kant van het terras waarop ik stond, staat een pand dat ik herkende. Links bevindt zich een schuifdeur naar een garage. De enige inpandige in de straat. Daarnaast een raam met hetzelfde vitrage als het benedenwoonhuis aan de andere kant van de trap. Deze brede trap komt uit in een open hal met de overige voordeuren naar de woonhuizen.
Ik was 35 jaar geleden vaak in dat pand geweest. Ik kon daar een lege verdieping betrekken. In de garage beneden kon ik mijn auto stallen.
Ik had dit hele pand gekocht.
Destijds woonde ik op de Overtoom. Ik werd door iemand opgebeld die een mooi huis te koop wist. Ik kende deze man niet. Hij vertelde mij dat hij vaak over mij had gehoord en voor mij wilde bemiddelen bij de aankoop van het huis.
‘Hoe moet ik aan geld komen,’ vroeg ik hem.
‘Geen probleem. Maak je niet druk. Laten wij morgen bij het pand afspreken. Hoe laat schikt het?’
De volgende dag zagen wij elkaar voor het pand en vroeg ik hem nogmaals hoe ik aan geld moest komen.
‘Je bent het vergeten,’ zei hij. ‘Je hebt geld genoeg. Morgen gaan we samen naar de bank.’
Ik was verbaasd dit alles te horen. Ik had er geen flauw idee van dat ik geld had. Vervolgens liet de man mij de eerste verdieping zien die leegstond. De rest was verhuurd. Zodra de koop was gesloten zouden de huurpenningen van mij zijn en kon ik op de eerste verdieping gaan wonen.
‘Het is een koopje,’ zei de man. ‘De huidige eigenaar staat er slecht voor en moet kost wat kost van het pand af. Als ik jou was zou ik het doen. Ook de bank zal je positief adviseren.’
De dag erna was ik bij de bank. Er was een notaris aanwezig, zodat de transactie binnen een half uur rond was.
Die zelfde dag nog ben ik met die man opnieuw naar het pand gegaan. Wij hebben de auto die beneden in de garage stond er uitgeduwd en hem netjes buiten op een parkeerplaats gestald.
Op de begane grond woonden twee homo’s. Een van de eerste dagen na de koop nodigen zij mij uit om een glas wijn, ter gelegenheid van de aankoop, te komen drinken.
‘Ik drink geen alcohol,’ zei ik.
‘Ach, dit is een bijzondere gebeurtenis en een enkel glas wijn kan geen kwaad.’
2
Ik liet mij overhalen. Bovendien vond ik het onaardig wanneer ik de uitnodiging zou afwijzen. Op het ogenblik dat ik naar mijn verdieping wilde gaan zei degene met een oorring: ‘jij hebt nu wijn gedronken met wat erin. Dit betekent dat je nu onder mijn invloed staat.’
‘Doe niet zo belachelijk, waar heb je het over?’
‘Het is zo als ik het zeg. Jij hebt wat van mij gekregen en binnen enkele minuten zul je het weten. Ik vertel het nu voordat het niet meer tot je doordringt. Ik vind het leuk wat ik met je gedaan heb. Bovendien levert het mij aardig wat op. Ja, ik zie er wel vriendelijk uit. Dat is mijn kracht naar de buitenwereld. Van binnen ben ik gewoon een slechte hond. Dit laatste mag je letterlijk opvatten.’
‘Hoe bedoel je,’vroeg ik ontsteld.
‘Dit is het laatste wat jij je over de Jacob Cats kade kunt herinneren. Je kunt natuurlijk naar de politie gaan. Die zal hoe dan ook geen enkel spoor van gif in de wijn vinden.’
‘Waarom niet?’
‘Weet je nog dat je vanochtend bij die fruitwinkel in de buurt een perzik hebt gegeten? Je bent er mooi ingetrapt. Je had hem voor niets gekregen en sloeg hem niet af. Wij hadden die perzik aan die Surinaamse eigenaresse gegeven. Zij had jou verteld dat zij uit Indonesië kwam. Zij had het over haar ouders. Zij zelf is een Surinaamse. Zij is nog nooit in Indonesië geweest.’
Ik had deze perzik inderdaad in haar winkel opgegeten. Toen ik aan haar vroeg waar ik de pit kon laten vertelde ze mij dat ik hem op straat kon gooien. Kort daarna ben ik mij ziek gaan voelen. Een uur later ben ik naar de winkel terug gegaan en heb ik naar de pit gezocht. Ik kon hem niet meer vinden.
Toen ik weer bij bewustzijn kwam zat ik tegenover een oudere heer die ik nog nooit had gezien.
‘Ik wilde nog even met je spreken, dit gewoon omdat ik het leuk vind al deze dingen tegen je te zeggen. Ik kan dat doen. Straks, wanneer je weer in je eigen krakershol woont, kun jij je er niets meer van herinneren. Ik ben trouwens een Houtema. De oudste van de familie. Men heeft mij gevraagd dit klusje te klaren. Je bent nog steeds op de Jacob Cats kade. Je hebt de verleiding niet kunnen weerstaan om het pand te kopen. De hele verkoop was een opzetje om je geld af te troggelen. Je mag wel zeggen dat wij daarin geslaagd zijn. Haha. Denk nu niet dat je hier iedere maand kunt komen om de huurpenningen op te halen. Zie je dat portret daarboven de voordeur? Dat ben jij! In alle appartementen hangt zo’n portret. Iedereen herkent je onmiddellijk wanneer je hier binnen komt. Doe dat vooral niet. Dan worden er korte metten met je gemaakt.’
3
‘Waar hangt mijn portret,’ vroeg ik. ‘Ik zie het niet boven de deur hangen.’
‘Dat klopt. Je moet het niet letterlijk opvatten. Jij hangt op verschillende adressen in de stad. Iedereen kent jou op deze manier. Iedereen weet dat men voor jou moeten oppassen. Je hebt al veel onheil aangericht in onze kringen. Zo, ga nu naar huis. Ik heb genoeg van dit gesprek.’
Toen ik weer thuis kwam op de Overtoom, de sleutel in het slot omdraaide, had ik nog slechts een vaag idee over een huis op de Jacob Cats kade. De dag daarna kwam ik weer op mijn werk in de Tesselschadestraat en sprak met dezelfde collega die mij in een eerder stadium de familie Houtema had aanbevolen in verband met het te drukken boek.
‘Ik heb een vreemd verhaal gehoord,’ zei hij. ‘Jij had zogenaamd een pand gekocht op de Jacob Cats kade.’
‘Dat was inderdaad vreemd,’ antwoordde ik. ‘Het klopte doodeenvoudig niet. Het bleek niet waar te zijn.’
Een dag voordat ik begin 2005 uit Nederland vertrok wilde ik mijn vermoedens over de aankoop van het pand in het verre verleden bevestigen. Eerst wilde ik dit beslist niet doen. Ik was bang herkend te worden. Ik heb het toch gedaan. De volgende dag zou ik immers weg zijn.
Toen ik op de kade liep en vlak bij het huis was aangekomen kwamen er uit het woonhuis op de begane grond twee mannen lopen. De een droeg een oorringetje. We botsten bijna tegen elkaar op. De man met het ringetje knikte vriendelijk naar mij.
‘Verrek,’ zei hij, voordat zij in de auto stapten die langs de stoep stond geparkeerd.
Ze reden daarna, in mijn tempo, voor mij uit. Even verder op draaide de auto, in zijn achteruit, een parkeerplaats op. Op het moment dat ik op gelijke hoogte liep schoot de auto op mij af. Vlak voor de stoep, op de plek waar ik liep, draaide hij bij en reed verder. Die nacht vertelde een stem in mijn droom dat de man met het oorringetje de dag daarop de hele wijk zou afstropen om mij te zoeken. Met een foto van mij in zijn hand. In die wijk is, vlakbij een tramhalte op een plein, een café. De ochtend, vlak voordat ik Amsterdam verliet, kon ik mij herinneren dat ik over dit café destijds met de man van het oorringetje gesproken had.
‘Ik vind dat een leuk café,’ vertelde ik hem. ‘Ik vind het leuk om daar in de ochtend koffie te drinken. Er komen mensen van allerlei slag. Veel kleurtjes.’
‘Ik ken de eigenaar goed,’ antwoordde hij. ‘Ik heb met hem afgesproken dat ik niet in het café kom. Dat kan ook niet. Wij kennen elkaar goed. Via onze praktijken. Als men ons samen ziet gaan de mensen denken. Dat is beter van niet.’
Begin 2005 kwam ik geregeld in het café om koffie te drinken. De eigenaar keek mij altijd op een vreemde manier aan. Ik kreeg de indruk dat hij mij goed kende. Hij ging zelfs zover dat hij niet toestond dat de mensen die achter de bar werkten met mij spraken. Daarnaast werd een stamgast, een blanke Amsterdammer, door hem bewogen om niet met mij in gesprek te gaan.
4
Op weg naar het station viel mij op dat ik in de nieuwe trams mijn voeten niet kwijt kon. De te krappe ruimte deed mij denken aan een gloednieuwe bioscoop in Kathmandu. Ik moest naar een stoel direct naast het gangpad verhuizen, omdat ik mijn benen niet kwijt kon. Logisch, de mensen zijn daar veel kleiner. Overigens vind ik dat Amsterdam de laatste 30 jaar er goed op vooruit is gegaan. Ik heb heel wat hoofdsteden in de wereld gezien. Dit is beslist een van de mooiste en rustigste hoofdsteden die ik ken.
De Amsterdammers mogen trots zijn op hun stad.
In de trein werd ik door een kennis uit Noord-Brabant opgebeld. Hij wist mij te vertellen dat de vriend van mijn broer door een halfzijdige verlamming aan bed gekluisterd was. Dat komt van al die teleportaties, dacht ik. Mijn broer vertelt nu aan iedereen dat zij naar Thailand gaan verhuizen, omdat het daar veel goedkoper is om hem te verzorgen. Leuk verzonnen, dacht ik, ik weet hoe de vork aan de steel zit.
In de trein realiseerde ik mij dat mijn herinneringen aan mijn verblijf in 2004 in Thailand ver weg gestopt zijn. Dat het maanden, misschien wel jaren, duurt voordat ik deze terug zal krijgen. Dit gezien de hoge koortsen waaraan ik de laatste periode van mijn verblijf in Thailand onderhevig was.
Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina
Casparus RH
December 2005. Copyright ©.