Hoofdstuk 56. Kerstmis 1996.

Een van de eerste dagen na mijn vertrek uit Amsterdam kon ik mij herinneren dat mijn broer en zijn vriend met Kerstmis 1994 bij mij in Groningen op bezoek waren geweest. In feite had mijn broer zich zelf uitgenodigd. Hij dramde net zo lang door tot dat ik er niet meer omheen kon.
Enkele dagen voordat ze zouden komen had hij een fax gestuurd met de stamboom van de familie. Bij de naam Sonstral stond de geboortedatum 1865 vermeld. Bij de datum waarop hij was overleden stond een vraagteken.
Mijn vriendin, Marlies uit Abcoude, verzorgde de kerstmaaltijd. Zij was gescheiden. Haar kinderen zouden de kerstdagen bij haar ex man, een specialist van het AMC, doorbrengen.
Op het moment dat wij aan tafel gingen was mijn broer zo brutaal zich op te dringen aan het andere hoofdeinde van de tafel. Onder het hoofdgerecht stak mijn broer met een serieuze ondertoon van wal. Ik kon niet vermoeden dat alles uiterst zorgvuldig getimed was. Ook de manier waarop ik door hen werd gedrogeerd. Met de bedoeling dat ik dit gesprek niet meer zou herinneren. Vandaar dat mijn broer, zijn vriend en Marlies het totaal niet uitmaakte wat zij tegen mij zouden zeggen. Het mag duidelijk zijn dat zij zich hebben vergist. Ik kan mij nog lang niet alles herinneren. Ik heb wel zeer veel handvaten.
Vrijwel de hele avond was mijn broer aan het woord. Ik heb slechts enkele vragen gesteld.
In grote lijnen had hij het over twee partijen. De ene partij vertegenwoordigde Sonstral en consorten. De andere partij was ik. Hij had het over tal van zaken waar ik mij in het begin van de avond aan ergerde. Vooral de toon die hij aansloeg. Naarmate de verdoving zich verdiepte werd ik met het moment onverschilliger en euforischer.
In het begin van deze avond vertelde hij dat zijn vriend Jan familie van hem was.
‘Vrijwel niemand weet dit. Gaat ze niet aan. Toen ik over hem hoorde ben ik er op af gegaan. Ik dacht, dit zit wel goed.’
‘Dat is leuke informatie,’ zei ik. ‘Wat moet ik daarmee?’
‘Niets bijzonders. Ik wilde je het alleen vertellen. Sommige mensen denken aan incest.’
‘Leuke informatie. Nog bedankt voor het opsturen van de stamboom. Wat mij opviel is dat er geen datum van overlijden bij Gust. A. Sonstral stond vermeld.’
‘Klopt. Hij is niet dood. Of je het wilt geloven of niet, hij leeft nog.’
‘Waar woont hij dan?’
‘Hij reist veel. Vaak zit hij in een koepel. Hij houdt van frisse lucht.’
‘Hoe reist hij dan?’
‘In een koffer. Onder diplomatieke bescherming. De douane mag daarom de koffer niet openmaken.’

2
Af en toe moest hij zo grinniken dat het snot in zijn neus loskwam. Daarna moest hij het ophalen en slikte het zichtbaar door, nadat hij er eerst met genoegen op had gekauwd.
Hij zweeg even en keek met een schuin oog naar Marlies.
‘Wij hebben er voor gezorgd dat Marlies nu hier is. Jouw vorige vriendin Janny was een goede bekende van ons. Zij rapporteerde ons voortdurend over jou. Marlies hebben wij bij jou naar voren geschoven via die kunstschilder uit Amsterdam. Weet je wel, die broer van jouw vriend uit Den Haag die zogenaamd altijd naar de sterren zit te gluren. Hij heeft je laatst gebeld en jou op Marlies geattendeerd. Wij wisten dat je haar reeds had ontmoet en leuk vond. Jij was erg geïnteresseerd in haar. Wij hebben Marlies naar voren geschoven op het moment dat wij van Janny hoorden dat jullie relatie een aflopende zaak was.’
Plotseling veranderde hij van onderwerp. Het leek alsof hij aan het luisteren was. Ik kon mij niet aan de indruk onttrekken dat hij, via radiosignalen, instructies kreeg.
‘Ja en dan die broer van JC. Die wordt door zijn vrouw gechanteerd. Dat kan niet! Is zij gek geworden!’.
Hij verloor zijn zelfbeheersing en stikte bijna in zijn snot.
‘Ze chanteert hem gewoon,’ riep hij weer. ‘Dat kan niet. Wij gaan er wat aan doen!’
‘Zeg hé, makker,’ riep ik over de tafel. ‘Neem nog een slok van je wijn.’
‘Ik ben je makker niet, ook niet je broer, je moest eens weten, verdorie, wie denk je wel dat jij bent en wie ik ben. Denk toch eens na!’
‘Roodkapje?’
‘Ik heb van Janny gehoord dat jij na het overlijden van Ingrid gesprekken met een psychiater hebt gevoerd. Hoe heet hij?’
Daarop gaf ik hem zijn naam. Niet wetende dat hij via deze Groningse psychiater pogingen zou ondernemen om mij ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

3
‘Jouw werkelijke vader is Roland Holst, de dichter, uit Bergen. Wij hebben hem altijd aan het lijntje gehouden door hem te vertellen dat jij niets met hem te maken wilde hebben. Wij hebben dit altijd voor jou verborgen. Jij bent hem namelijk niet waard. Wij hadden hem wijsgemaakt dat je volledig aan de drugs was. Zelfs op zijn sterfbed nog. Hij had vele bezittingen waar jij geen weet van hebt en bovendien niet mee om kunt gaan. Daarom hebben wij deze bezittingen van je afgenomen. Het was en is altijd wel een heel gedoe. Wat een moeite zeg, wat een kostbare tijd en dat allemaal voor jou, stuk onbenul! Wij moesten er vele anderen in betrekken. Een oudere broer van mij, die je nooit hebt gekend, is directeur van een belastingkantoor. Hij heeft alle transacties met de belastingen in orde gemaakt. Een ander iemand, een zoon van een aannemer, heeft zich via een vals paspoort voor iemand anders uit gegeven om de transacties rond te breien. Ik moet je adviseren dit nooit te onderzoeken. Dan nemen wij je te grazen. Bovendien hebben wij een plaatsvervanger voor jou achter de hand. Iemand die precies op jou lijkt en volledig door ons wordt aangestuurd. Jij hoeft je geen enkele illusie te maken dat je aan ons kunt ontsnappen. Wij zijn de Allerhoogste in de wereld. Wij zijn Keizer. Iedereen ligt aan Onze voeten.’


Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.