English
Hoofdstuk 3. Dienstmeisje. 

Toen ik een jaar of zeven was zat ik samen met mijn broer en het dienstmeisje Rietje in de keuken. Rietje was toen een jaar of twintig. Zij kon heel mooi jodelen en begeleidde zich zelf, bijzonder ritmisch, met het geklepper van een vork en lepel.
Ik probeerde dit na te doen met een paar houten kooklepels. Omdat dit niet goed lukte maakte ik twee plankjes van beukenhout. Ieder tien centimeter lang en vier centimeter breed. Mijn idee werd al snel door iedereen overgenomen. Hierdoor kwam in de jaren vijftig het klepperen zeer in zwang.
Rietje vond dat ik mooi kon dansen en toen zij zo bezig was met jodelen en klepperen spoorde ze mij aan tot het maken van mijn overbekende danspasjes.
‘Nee maar,’ riep Rietje. ‘Je danst als een aap. Laat me jou eens beter bekijken.’
Ze kwam vlak voor mij staan en bekeek mij op een zeer speciale manier van top tot teen.
‘Nee maar, je bent echt een aap. Net zoals ik. Wat leuk! Hoe is het mogelijk en dat met die ongelukkige voeten.’
Zij slaakte een kreet van uiterste opwinding.
‘Je bent nog wel een hele hoge, misschien wel de allerhoogste! Zo’n mooie aap heb ik nog nooit gezien. En wat een schitterende kleren heb je aan. Wat mooi!’
‘Ach, wat,’ zei ik. ‘Ik heb gewoon een oude trui aan met gaten.’
‘Nee, dat bedoel ik niet. Ik bedoel de kleren die jij als aap draagt.’
‘Wat bedoel je? Ik ben gewoon mijzelf. Ik heet Cappy.’
‘Kijk eens,’ riep ze opgewonden. ‘Ik zal voor je dansen. Vind je leuk, hè!’
Zij begon voor mij als een aapje op en neer te dansen.
‘Kijk eens goed naar mij, dat doe ik speciaal voor jou! Kan ik goed, hè!’
‘Ja hoor,’ zei ik en veinsde verbazing over zoveel flauwekul. Ik voelde mij wel bijzonder vereerd en gestreeld door al die aandacht.
Toen ze weer aan de keuken tafel ging zitten, mompelde mijn broer:
‘Wij zijn gewoon honden en kunnen er niets aan doen. Het is zo en niet anders.’

2
Rietje was in het bezit van enkele boekjes die ze jammer genoeg, net zoals ik, niet kon lezen. Ze waren in de Thaise taal geschreven. Zij kon er wel over vertellen.
Een van de verhalen ging over een vissersfamilie in Thailand. Vader, moeder en twee kleine jongens. Op een gegeven ogenblik moesten de ouders naar de markt om hun gevangen vis te verkopen. De ouders hadden de oudste jongen goed ingeprent dat hij zeer goed voor zijn jongere broertje moest zorgen, terwijl zij weg waren.
‘Vooral goed schoon houden,’ vertelden ze hem nadrukkelijk voordat ze weggingen.
Toen ze terug kwamen was het broertje dood. De oudste jongen had hem eveneens van binnen schoongemaakt. Hij had al zijn ingewanden en organen eruit gehaald, met water schoongemaakt en alles netjes terug gestopt.
‘Mijn broertje wilde niet meer wakker worden,’ zei hij.
Voor de ouders was het onmogelijk deze jongen nog langer te accepteren.
Daarom trok hij, geheel alleen, de wijde wereld in. Hij kon mooi praten en won alle discussies ondanks het feit dat hij nog erg jong was. Iedereen geloofde hem en hij kwam nooit iets tekort. Op zijn trektocht kon hij alle geschillen en ruzies oplossen. Waar hij ook kwam, iedereen riep zijn hulp in.
De koning van Thailand hoorde over hem en gebood de jongeman naar het hof. Daar werd hij in korte tijd zijn belangrijkste adviseur en loste hij alle geschillen op. Hij was zo sterk met woorden dat hij zelfs in discussies met de hoogst geplaatste monniken als sterkste uit de bus kwam.
In feite was de jongen de koning en de echte koning vond het goed dat het op deze manier ging. Op deze manier had de jongeman de nodige bescherming en de koning een perfecte adviseur. De koning hoefde zich niet zoveel zorgen meer te maken. Iemand die betere oplossingen kon bedenken voor alle geschillen kon hij zich niet indenken.
In een ander boekje uit Thailand stonden verhalen, met plaatjes, over honden. In die tijd wilde ik trouwens alleen boekjes met plaatjes lezen. Boekjes zonder plaatjes vond ik echt niets aan.
‘Kijk,’ zei Rietje, terwijl zij naar een afbeelding wees van een hond die voor een huis stond en door een raam naar binnen gluurde. ‘Zo zijn honden. Altijd bij mensen naar binnen kijken om te zien of er wat valt te snaaien.’
Op een andere afbeelding was een man bezig van lange stelen hennep een touw te vlechten. Hij zat boven op een tafel en onder de tafel lag zijn hond die het reeds gevlochten touw aan het verorberen was.
Op weer een andere zag je een man die zijn hond met een dun stokje bedreigde.
Rietje vertelde dat het zo nu en dan nodig was een hond een flink pak slaag te geven. Meestal was dreigen alleen al voldoende. Het was ook helemaal niet zielig voor honden. Deze waren er aan gewend. Bovendien was het hun eigen schuld. Het lag in hun karakter dat ze op een gegeven ogenblik probeerden om de baas te worden over hun baas. Ze konden het echt niet laten. Door met een afstraffing te dreigen werden de verhoudingen weer duidelijk.
Op nog een ander bladzijde zag je dat een aap de takken van een struik had weggebogen. Hij keek naar een grote, bruin wit gevlekte, vogel in een grote kooi vlak bij een visvijver. De vogel snotterde van geluk. Deze had nog nooit zo’n mooie aap gezien.

3
Toen mijn broertje deze boekjes zag vroeg hij, geheel ontsteld, aan Rietje: ‘Hoe kom je aan die boekjes?’
‘Ik heb beloofd dat nooit te zeggen.’
‘Ja zeg, dit kan niet, zeker van hem,’ riep hij woedend en wees dreigend naar mij. Hij ritste de boekjes uit haar handen en wierp ze in de brandende kachel.
‘Dit moet je nooit meer doen,’ riep ik onthutst. ‘Je kent het verschil niet tussen goed en kwaad. Wat je nu gedaan hebt is bijzonder slecht. Die boekjes zijn niet van jou en je hebt niet het recht om ze in de kachel te gooien.’
‘Ach jij, wie denkt je wel dat je bent,’ snauwde mijn broer. ‘Ik heb niets met jou te maken!’
De volgende ochtend herinnerde ik hem eraan wat hij gedaan had. Hij werd opnieuw woedend.
‘Wie denk je wel dat je bent, hè! Door jouw gedrag en die boekjes heb ik vannacht niet kunnen slapen. Dat is jouw schuld!’
’Je bent slecht’, riep ik.
Waarschijnlijk had ik iets verkeerd gezegd. Hij pakte de lange pikhaak waarmee de bovenramen werden opengemaakt. Ik wist niet hoe snel ik weg moest rennen. Hij rende achter mij aan. De pikhaak schoot een paar keer vlak langs mijn schouders. Zo snel mogelijk opende ik de voordeur en sloeg hem hard achter mij dicht. Ik hoorde een ijselijke kreet. Zijn duim was tussen de voordeur en de deurlijst blijven zitten. Het topje van zijn duim was vermorzeld.
Een mooi aandenken aan mij, dacht ik, voor de rest van zijn leven zou hij mij niet meer vergeten.
Het duurde dagen voordat het humeur van mijn broer verbeterd was. Hij liet aan iedereen zijn duim zien en vertelde dat ik dat gedaan had. Op een gegeven ogenblik was hij het incident schijnbaar weer vergeten en riep mij, met zijn meest vriendelijke stem, vanaf het balkon dat aan de slaapkamer van mijn ouders grensde.
‘Zullen wij een spelletje doen?’
‘Wat voor een spelletje,’ riep ik beneden vanuit de tuin.
‘Dan moet je naar boven komen. Dan leg ik het je uit.’
‘Kijk, je moet op de rand van het balkon gaan staan,’ vertelde hij toen ik boven was. ‘Daarna moet je net zover naar voren buigen dat je bijna naar beneden valt. Wie het verst naar voren kan buigen heeft gewonnen.’
We klommen over de houten balustrade en gingen beiden op de rand van het balkon staan. Juist toen ik voor mijn idee ver genoeg voorover was gebogen gaf hij mij een zetje. Ik kon hem nog net kon vastpakken. Anders was ik beslist naar beneden gevallen.
‘Wat doe je nu,’ riep ik en liep weg. ‘Als je nog een keer zo’n streek uithaalt duw ik jou over de rand.’
‘Ha, dat moet je maar eens proberen. Dan sla ik je gewoon in elkaar.’

4
Dezelfde dag, tijdens het avondeten, vertelde hij mijn vader dat we een spelletje op de rand van het balkon hadden gespeeld.
‘Ik was bijna naar beneden gevallen,’ zei mijn broer tegen mijn vader, terwijl hij met een priemende vinger in mijn richting wees. ‘Wanneer ik hem niet bij zijn kleren vast had kunnen houden was dat beslist gebeurd.’
‘Hij draait weer eens de zaak om. Hij duwde er mij bijna vanaf,’ zei ik.
‘Het had toch niets uitgehaald,’ zei mijn vader tegen mijn broer. ‘Waarschijnlijk was er alleen een gat in het terras gekomen en waren er enkele tegels gebroken. Dit kun je beter dus niet meer doen. Het kost gewoon geld als er iets stuk gaat.’

Enkele dagen na het verbranden van de boekjes zaten Rietje en ik alleen in de keuken. Zij begon op mijn verzoek weer te jodelen en te klepperen. Na een tijdje onderbrak ik haar en vertelde dat de meester van de lagere school over de parabel van Kaïn en Abel had gesproken.
‘Pas maar op,’ zei Rietje. ‘Straks doet jouw broer dat ook bij jou!’
‘Ik begrijp je niet, wat bedoel je daarmee?’
‘Jouw doden! Trouwens jouw broer heeft dit lang geleden al eens eerder gedaan. En je vader wil jou voortdurend offeren. Wat dat betreft zijn de tijden niet veranderd. Als ik jou was zou ik maar oppassen. Jij bent het koekoeksei in dit nest’.
‘Ik gooi ze er dan allemaal uit,’ zei ik, nog kwaad op mijn broer vanwege de boekjes die hij in de kachel had geworpen.
‘Ik zou maar oppassen. Dat doen ze wel met jou!’
‘Koekoeksei,’ herhaalde ik mompelend. ‘Wie is dan volgens jou mijn vader?’
‘Dat is een mooie donkere man uit Napels. Een ketellapper die eens langs de deur kwam.’
Mijn gezicht betrok.
‘Nee hoor! Ik plaag je een beetje. Het is een prins!’
‘Een prins,’ vroeg ik verbaasd.
‘Niet een echte prins. Hij is een dichter. Een hele hoge.’
Ze strekte haar arm hoog boven haar hoofd.
‘Hij komt vaak bij de koningin.’
Ze sloeg haar hand voor haar mond en stamelde: ‘oei, dat mocht ik niet zeggen.’
‘Van wie mocht je dat niet zeggen,’ vroeg ik.
Van jouw vader. Je moet erg voor hem oppassen,’ zei ze, terwijl zij naar boven wees waar mijn vader lag te slapen.

5.
‘Vlak na het uitbreken van de oorlog is hij door een Tilburgse schoenenfabrikant aangegeven wegens enkele seksuele misdrijven. Er is ook nog iemand vermoord, een klein meisje in een kerk, in 1938, maar dat hebben ze nooit kunnen bewijzen. De Duitsers hebben hem drie dagen lang te grazen genomen. Speciaal daarvoor hadden ze uit Duitsland een paar mooie en stevige Ariërs met grote blauwe ogen laten aanrukken. Hij was al niet normaal, maar van af toen werd hij helemaal een beest. En jouw grootvader had helemaal geen ziekte aan zijn ogen. Hij heeft er een schroevendraaier ingestoken. Toen moesten ze er wel uit. Hij had die schroevendraaier ook in zijn oren willen steken. Hij wilde niets meer zien en niets meer horen wegens de afschuwelijke daden van zijn schoonzoon.’
‘Ik ga hem aangeven bij de politie.’
‘Gek! Dat kun je niet doen. Hij is jouw vader.’
‘Ja maar, je vertelde net dat iemand anders mijn vader is.’
‘Ja, dat is zo, maar jij staat wel in zijn paspoort genoemd als zijn zoon. Wanneer jij hem aangeeft word je misschien wel voorgoed opgesloten. Daar zijn ze op uit.’
Dit laatste stond inderdaad op het punt om te gebeuren. Ik liep vaak in huis rond met een fluitketel op mijn hoofd. Hij paste precies. De bodem was er uit gehaald. Ik had hem in een kast op de overloop gevonden.
Mijn broer stond erop dat ik daarmee naar buiten zou gaan, dan zou ik zeker voorgoed opgesloten worden.

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.

   
         
   
   
   
ouders van mijn moeder
   
   
   
   
   
   
ouders van mijn vader
mijn vader?
   
         
         
   
   
         
         
         
         
         
         
         
         
         
         
         
         
         
         
         
         
         
         
         
         
    http://s5.histats.com/stats/r.php?16882&100&4&urlr=&www.sonstral.com/Nederlands/Hoofdstukken html/Hoofdstuk 03/Hoofdstuk 3.html