Hoofdstuk 4. Peetoom.
Mijn peetoom was de kleinzoon van de oprichter van een groot warenhuis concern in Nederland. Jarenlang was hij directeur. Na zijn overlijden groeide dit concern uit tot een netwerk van vele andere bedrijven. Vrijwel alle zomervakanties logeerde ik op zijn kasteel in een mooi park in Wassenaar. Gelegen aan de weg van Den Haag naar Wassenaar.
Ik werd meestal opgehaald door zijn privé chauffeur met een grote zwarte auto. Bij aankomst werd ik overstelpt met de meest onwaarschijnlijke cadeaus. Een keer kreeg ik, en dan heb ik het over meer dan een halve eeuw geleden, een grote op afstand bestuurbare auto. In het begin lukte het niet goed de auto te besturen en botste hij bij herhaling tegen de muur. Over het parket kon hij hard rijden. Bij de pers, die midden in de zitkamer lag, nam hij een sprongetje en reed dan iets langzamer. Helaas gingen, de eerste keer dat ik er mee speelde, de batterijen snel op. In die tijd waren er nog geen oplaadbare batterijen.
‘Dan moet je er niet zoveel meespelen,’ zei mijn peettante.
In al die jaren heb ik mijn peetoom slechts enkele malen ontmoet. De laatste keer was vlak voordat hij dood ging. Hij stond boven achter de balustrade van de overloop op mij te wachten.
‘Hallo, Cappy, fijn dat je er weer bent.’
Ik wilde naar boven lopen om hem te begroeten. Mijn tante vertelde dat ik dat beter niet kon doen. Hij was erg ziek en wilde liever alleen gelaten worden. Onder de avondmaaltijd zei mijn tante plotseling: ‘hij had alleen zijn colbert en overhemd aan. Dat kon je niet zien vanaf beneden in de hal. Daaronder droeg hij niets. Dat kan ook niet, want hij is volkomen lek.’
Het eten smaakte mij niet meer. Walgend vroeg ik wat ze daarmee bedoelde.
‘Alles loopt eruit,’ zei ze en lachte schamper.
Vele jaren later heb ik gehoord dat hij van jongs af aan schrijver of journalist had willen worden, maar dat hij door de familie werd uitverkoren om het imperium te leiden. Door zijn superieure intelligentie, ook emotioneel, zou hij instaat zijn om het nog veel groter te maken dan het reeds was.
Hij was nooit thuis. Ik vroeg mijn tante of ze dat niet erg vond.
‘Nee hoor,’ antwoordde ze resoluut. ‘Dat was onze afspraak voordat wij trouwden. Wij zijn alleen in naam getrouwd. Ons huwelijk stelt niets voor. Hij had een vrouw nodig waarmee hij goed voor de dag kon komen. Daarnaast moest zij haar vreemde talen goed spreken. Dat ben ik dus geworden.’
Ze keek trots om zich heen in de grote zitkamer van het kasteeltje.
‘En kijk eens wat ik nu heb. Een kasteel, een mooi park met tennisbaan en een prachtige auto met chauffeur. Wat kan een mens zich nog meer wensen?’
2
‘Waar is hij dan altijd?’
‘Hij is meestal in Thailand en hangt daar de beest uit,’ zei ze lachend. ‘Bovendien ga ik enkele malen per week naar de koningin om te borrelen. Vaak ook voor een diner.’
‘Naar de koningin? Bestaat die dan echt? Ik dacht dat die alleen in een sprookje voorkwam.’
‘Ja,’ knikte ze vergenoegd, ‘Naar de koningin. Trouwens je mag vanavond wel mee. Liever gezegd je gaat, je moet vanavond mee. Er komt iemand die jou wil zien. Het is al weer lang geleden voor hem!’
‘En wie is dat,’ vroeg ik en voelde mij totaal bedwelmd. Ik veronderstelde nog steeds dat ik in een sprookje terecht was gekomen.
‘Dat zul je wel zien, maar we blijven er niet eten. Dat mag je wel een andere keer.’
Ik sprong een gat in de lucht en toen we tegen het donker met de zwarte auto naar het paleis in Den Haag reden kwam ik in een grote kamer terecht waar alle prinsessen aan een grote tafel onder immense kroonluchters gezellig met elkaar zaten te keuvelen. Ik werd hartelijk verwelkomd. Zij waren blij dat ze mij voor het eerst zagen. Zij hadden al veel over mij gehoord.
‘Kijk! Daar zit een oudere heer’, zei de oudste prinses. ‘Geef hem maar een hand.’
De oudere heer fronste zijn wenkbrauwen en keek enigszins verlegen naar mij.
Ik genoot van plezier toen ik een van mijn danspasjes mocht showen. Ik heb zelfs nog een hand mogen geven aan de koningin die de kamer binnen kwam en zich direct verontschuldigde, omdat ze het nogal druk had met enkele zakelijke besognes. ‘Volgende keer zien wij elkaar langer. Ik heb al zoveel over je gehoord, Cappy.’
‘Zo is het wel genoeg geweest,’ zei mijn tante na enige tijd. ‘Wij gaan weer naar huis. Geef aan iedereen een hand en die mijnheer als eerste.’
‘Kijk nu eens. Hij is helemaal ontdaan,’ riep de oudste prinses.
‘Ontdaan,’ vroeg ik spontaan.
‘Nou, nee, moe,’ verbeterde ze zich zelf en keek met een fronsende blik naar haar zussen.
Ik gaf hem een hand, keek in zijn donkere ogen en vroeg: ‘moe?’
‘Ja, moe,’ zei hij met aarzelende en trillende stem.
Op weg naar huis vroeg ik aan mijn tante waar de oudste prinses op school zat.
‘Wij vinden school niet zo erg belangrijk. Je moet natuurlijk wel enkele vaardigheden opdoen, maar de universiteit van het leven is veel belangrijker. En ach, ze komt toch wel op haar pootjes terecht,’ zei ze lachend. ‘Allemaal niet zo erg belangrijk. Indien je iets zelf niet weet kun je altijd andere mensen inschakelen. Zeker voor haar geen probleem.’
3
Toen ik na een paar dagen weer in mijn ouderlijk huis terugkwam vertelde ik opgetogen over mijn bezoek aan de koningin.
‘Ach jij gek,’ riep iedereen in koor. ‘Hij ziet ze weer vliegen. Wat ben je toch een raar persoontje.’
De volgende ochtend werd ik wakker in een mooi opgemaakt bed. De dekens waren onder de matras gestopt en ik lag op mijn rug. Ik verbaasde mij hierover. Indien ik op mijn rug wilde slapen werd ik misselijk. Bovendien trok ik de lakens en de dekens altijd onder de matras vandaan.
Toen ik aan de ontbijttafel kwam vroeg mijn broer: ‘en geloof je nog steeds dat je bij de koningin was?’
‘Nee, het was een sprookje. Een koningin kom je alleen in sprookjes tegen.’
Een andere keer had mijn tante een geweldige verrassing voor mij.
‘Wij gaan naar de sterrenwacht in Rijswijk. We gaan wanneer het donker is. ’
Ik sprong een gat in de lucht.
‘In het donker? Dat lijkt mij leuk.’
‘Ja, dan kun je de sterren zien. Bovendien is er verder niemand. De directeur zal ons rondleiden.’
De chauffeur bracht ons met de auto. De directeur stond reeds in de hal te wachten en knoopte onmiddellijk een gesprek aan met mijn tante. Ze hadden elkaar allang niet meer gesproken.
Ik maakte van de gelegenheid gebruik om het grote gebouw te verkennen. Op een balustrade zag ik een deur met daarop de woorden:
Verboden Toegang. Sterrenwacht.
Ik dacht: dat geldt niet voor mij. Ik was immers uitgenodigd om door de sterrenkijker te kijken. Ik liep de balustrade op, maakte de deur open en kwam in een reusachtige koepelvormige hal met daarin een enorm plateau, waarop je door de sterrenkijker kon kijken. Ik liep de wenteltrap op, keek door de kijker, maar zag niets. Links van mij bevond zich een hendel met een schaalverdeling. Ik begon eraan te draaien en kreeg allerlei dingen te zien die ik niet goed kon thuis brengen. Ik draaide de hendel verder. Daarop zag ik tot mijn grote verrassing grote bollen in de lucht hangen. Ik raakte totaal gefascineerd. In de bollen zag ik de weerkaatsing van iedereen die op aarde woonde.
Beneden onder het plateau hoorde ik een woedende stem: ‘wat ben jij daar aan het doen?’
De directeur vloog de wenteltrap op naar het plateau. Ik werd bang vanwege zijn geschreeuw en draaide snel de hendel terug naar de beginstand. Ik wilde niet dat hij er achter kwam wat ik had gezien.
4
‘Wat heb je gezien,’ riep hij woedend.
Ik raakte verlamd van angst en durfde niet te liegen.
‘Ik zag allemaal glazen bollen. Jullie kijken voortdurend naar de mensen! Jullie zien wat ze doen!’
Daarop sleurde hij mij van de stoel en keek door de kijker.
‘Gelukkig maar. Sufferd, je zag het stof op de lens. Als je meer had willen zien had je aan de hendel moeten draaien. Doe dit nooit meer. Ga nooit door een deur waar verboden toegang op staat.’
‘Ik kwam voor de sterrenkijker. Ik was toch uitgenodigd om er door heen te kijken?’
‘Je bent een stoute jongen.’
Hij sleurde mij weg, nam mij mee naar beneden, waar mijn tante boos naar mij keek.
‘Je hebt weer iets gedaan wat niet mocht! Ga daar in de hoek staan. Ik moet hierover met de directeur praten.’
Ondanks dat ze met elkaar fluisterden kon ik toch ieder woord verstaan.
‘Het is beter, dit om vervelende dingen te voorkomen, je kunt niet secuur genoeg zijn, hem direct bij thuiskomst wat te geven. Stel je voor dat hij heeft gezien dat wij de mensen manipuleren. Ik moet er niet aan denken!’
Mijn tante knikte bevestigend.
‘Dit soort dingen mag je nooit meer doen,’ zei ze, terwijl we naar huis reden.
‘Die deur mocht ik toch wel ingaan. Wij zouden toch naar de sterrenkijker gaan?’
‘Nee, er stond verboden toegang op.’
‘Dat was toch niet voor mij bestemd?’
‘Nee. Je bent stout en straks krijg je wat.’
‘Hoe bedoelt u, krijg je wat?’
‘Je merkt het wel!’
Ik begreep haar niet en sprak er verder niet meer over.
Veertig jaar later ontmoette ik iemand die een van mijn adviseurs in zaken werd. Het bleek dat hij voor zijn pensioen de rechterhand en adviseur van mijn peetoom was geweest.
Hij vertelde dat mijn oom een vrij ongelukkige man was geweest. Hij verdronk zijn verdriet in alcohol. Waardoor hij, via deze langzame en sluipende moordenaar, veel te vroeg was overleden. Vaak gebeurde het dat hij hele nachten door dronk. In de ochtend moesten ze hem dan naar zijn kantoor dragen. Dwars door het warenhuis, terwijl de eerste klanten al binnen kwamen. Ondertussen plukte hij langspeelplaten uit de schappen.
‘Voor mijn vrouw,’ zei hij dan op een jolige manier. ‘Zij is gek op muziek.’
Tegelijkertijd maakte hij afspraakjes met de verkoopstertjes. Deze waren daar, gezien zijn positie, uitermate gevoelig voor.
5.
Mijn tante was inderdaad gek op muziek. Na zijn dood kocht ze vrijwel iedere dag langspeelplaten in het warenhuis. Vooral wanneer ik er was kwam dit verlangen naar deze hebbedingetjes boven drijven. Kasten vol met platen. Zij vond het leuk om onder het koken de muziek zo hard mogelijk aan te zetten.
‘Ik krijg nog steeds korting,’ riep ze van uit de keuken. ‘Mooie muziek, hè, Cappy!’
‘Ja’ zei ik dan. Ik hoorde slechts klassieke muziek. Trouwens, in die tijd was er nog niet veel anders. De Bolero van Ravell was de eerste muziek waardoor ik in vervoering raakte. De Beatles bestonden nog niet.
Mijn peettante verhuisde enkele jaren na het overlijden van mijn oom naar Zwitserland. Ik zag haar jaren niet meer. Totdat zij bij mijn ouders langskwam om haar vierde man, een Zwitserse bankier uit Zürich, voor te stellen.
‘Ik verslind ze,’ zei ze en moest dan erg hard lachen.
Speciaal voor deze gelegenheid was alle familie uitgenodigd. Op een gegeven ogenblik ging mijn vader op een stoel staan om een van zijn overdreven speeches te geven. Op dat ogenblik maakte mijn tante een ongelooflijke scène. Aangespoord door haar Zwitserse man.
‘Doe niet zo officieel, dat staat je niet, zeg het hem,’ zei ze met felle toon tegen mijn vader en knikte met haar hoofd in mijn richting. Mijn vaders lippen werden dun en scherp, persten zich op elkaar en hij knikte heftig nee tegen mijn tante. Ik hoorde hem in zijn gedachten zeggen: dat nooit of te nimmer.
‘Vertel het hem,’ riep mijn tante weer.
Er werd niets verteld, niets gezegd. Mijn vader nam dit geheim en alle andere mee in zijn graf. Tot het moment aanbrak dat ik, een halve eeuw later, in Thailand achter de waarheid kwam.
In 1975 verhuisden Ingrid, mijn vrouw, van Amsterdam naar de gemeente
Opsterland in Friesland.
Een jaar later werd er op een zondag ochtend door de plaatselijke politie aangebeld. Ze overhandigden het testament van mijn peettante. Haar testament bestond uit ongeveer tien pagina’s. De laatste bladzijde was een met de hand geschreven notitie van mijn tante waarin stond dat zij haar hele vermogen aan haar toenmalige butler, ene heer Focke, had nagelaten. Van mijn vader begreep ik een week later dat vanwege het feit dat mijn tante in Zwitserland woonde het Zwitsers recht van toepassing was. Een met de hand geschreven notitie was voldoende. Mijn vader heeft toen nog wel een advocaat uit Rotterdam in de armen genomen.
Deze heeft via een civiele procedure onze belangen aanhangig gemaakt. Van mijn vader hoorde ik dat men nul op rekest had gekregen. Daarop vroeg hij om naar zijn huis te komen. Dit om enkele documenten te ondertekenen waarin ik af zag van mijn belangen. Nu achteraf gezien is dit zeer vreemd. Er was immers een uitspraak van de rechter. Ik had in die tijd totaal geen kennis van dit soort kwesties. Ik heb toen in mijn ouderlijk huis enkele stukken ondertekend, gericht aan een advocaat, waarin ik af zag van mijn belangen.
Terecht vraag ik mij nu af, meer dan dertig jaar later, van welke belangen ik heb afgezien.
6.
Juist toen ik het kantoor van mijn vader verliet slipte mijn broer als een haas langs mij heen. Hij deed de zware velours gordijnen achter zich dicht en sloot de schuifdeuren. Ik keerde terug op mijn schreden en legde mijn oor in de spleet van de gordijnen.
‘Pas maar op dat hij er niet achter komt. Dan ben je niet jarig,’ zei mijn vader.
‘Dat is mijn zaak en mijn beslissing. Ik zorg ervoor dat hij er de eerste vijf jaar niet achterkomt. Daarna is het verjaard en zien we wel weer verder.’
‘Het is voor jou te hopen.’
Op dat ogenblik kwam mijn stiefmoeder vanuit de keuken de hal in lopen en vroeg met een scherpe stem: ‘wat ben jij daar aan het doen?’
‘Ik sta hier gewoon wat, misschien heb ik mij bedacht en wil ik nog wat over het testament weten.’
‘Ach, jij!’
Woedend trok ze de gordijnen open, schoof de deuren uit elkaar en riep:
‘Hij heeft alles gehoord.’
‘Ach, dat vergeet hij toch weer. Broer, nog koffie?’
‘Je wilt vast nog koffie voordat je weggaat,’ herhaalde mijn stiefmoeder. ‘Maak ik zo voor je!’
De nacht daarop heb ik zeer diep geslapen. De volgende ochtend kon ik de gebeurtenissen van de vorige dag nog slechts vaag herinneren. Ik sprak er nog wel over met Ingrid, maar ik dacht dat ik spijkers op laag water zocht.
Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina
Casparus RH
December 2005. Copyright ©.