Hoofdstuk 36. Auto ongeluk.

Reeds in de ochtend had ik alle stukken voor mijn bespreking met de bank bestudeerd en overzichtelijk in mijn attachémap opgeborgen. Op die manier was ik ervan verzekerd dat ik niets overhaast hoefde te doen. Ik beschouwde iedere bespreking over zaken, met wie dan ook, als een soort eindexamen van de middelbare school. De hele ochtend flitste het onderwerp van het gesprek met de bank door mijn hoofd.
Toen ik om 15.15 aanstalten maakte om naar de bank te gaan kwam Drika Rolletje, mijn secretaresse, mijn kantoor binnen. Zij vroeg of ik, voordat ik zou gaan, nog koffie wilde hebben. Ik was verrast, omdat ze dit nog nooit had aangeboden. Ik vond het niet nodig. Ik maakte dit altijd liever zelf. Omdat ik het niet aardig vond deze geste af te slaan accepteerde ik het tegen wil en dank. Toen ze de deur van mijn kantoor dicht deed hoorde ik in haar kantoor de telefoon overgaan. Even later wilde ze mij doorverbinden met een belangrijke klant.
‘Je weet dat ik weg moet.’
‘Dat heb ik tegen Peter gezegd. Hij stond erop je te spreken. Ik kon er niet onderuit.’
Achteraf weet ik nog steeds niet waarom deze klant mij juist op dat ogenblik moest spreken. Het onderwerp ging over kwesties waarover wij het nooit over hadden. Wij lieten dat altijd aan anderen over. Bovendien moest hij weten dat ik niet de beschikking had over de door hem gewenste informatie. Ik begreep niets van de conversatie en probeerde er zo beleefd mogelijk een einde aan te maken. Al met al was het inmiddels 15.30 geworden en ik moest om 16.00 bij de bank zijn. Voordat ik de deur uitliep zei Drika dat ik beter via Eenrum, in plaats via Den Andel, kon rijden, omdat het sneller zou zijn.
Toen ik daar op de provinciale weg naar Groningen wilde afslaan stonden er enkele politie agenten. Zij waren juist bezig de weg met dranghekken af te sluiten. Gelukkig mocht ik er, als laatste, doorheen.
De weg slingerde zich langs een riviertje. Langs statige Groningse boerderijen. Toen ik voorbij de oude joodse begraafplaats, hoog op een terp, reed, zag ik plotseling talrijke moddersporen van een tractor. Althans dat veronderstelde ik. Op het moment dat ik afremde begon mijn auto te slippen en schoot naar de andere kant van de weg. Door mijn correctie begon de auto om zijn as te draaien. Ik reed met een snelheid van 80 kilometer per uur de rivier in. Tussen de bomen aan de kant van de rivier. Omdat ik op dat ogenblik achteruit reed heeft dit mijn leven gered. Ik werd stevig in mijn stoel gedrukt. Met mijn nek in de hoofdsteun. De wagen kwam met een klap op het water terecht. Vlak langs de beschoeiing. In een intuïtieve reactie schoof ik naar de lege voorstoel. In een reflex ritste ik de map met bankstukken van de stoel, opende de deur en stapte keurig, nog droog, op de beschoeiing en klom naar boven, naar de weg. Op dat ogenblik kwam er een zwarte auto langs. Ik veronderstelde die van Drika. Hoewel ik dat typisch vond, omdat mijn auto de laatste was die door de afzetting was gereden. Er was geen tegemoet komend verkeer. Ik was versuft door het ongeluk om mij alles goed te kunnen realiseren.
De politie was onvoorstelbaar snel, binnen enkele minuten, ter plaatse. Zij regelden een takelwagen en duiker. De auto was inmiddels geheel onder de oppervlakte van het water verdwenen. De politie was erg coulant en bracht mij naar huis. Van een van mijn vrienden, een herenboer, hoorde ik later dat hij bij de boeren, in de omgeving van het ongeluk, had geïnformeerd over modder op de weg. Hij had herhaaldelijk, vanuit verschillende bronnen, gehoord dat het onmogelijk was dat er modder op de weg had gelegen. Iedere boer hier in de omgeving kende zijn verantwoordelijkheden en was erg voorzichtig met trekkers over de weg. Zeker geen modder. Tijdens de oogst van de suikerbieten zou het kunnen voorkomen, maar dan plaatsten de boeren waarschuwingstekens voor moddergevaar langs de weg.
Sinds begin 2005 herinner ik mij dat er inderdaad geen moddersporen waren. Dat de boeren volkomen gelijk hadden. Het was totaal iets anders. Ik had de gewaarwording dat het asfalt omhoog was geduwd. Precies zoals een mol doet bij het graven van een gang vlak onder de oppervlakte van een gazon. Daarnaast kan ik mij herinneren dat het beeld op mijn netvlies op verscheidene plaatsen in stukken was gebroken.
De dag na het ongeluk heb ik met enkele vrienden van mijn kinderen over het ongeluk gesproken. Een van hen vertelde het volgende verhaal: ‘ik nam om 15.30 de bus van Winsum naar Usquert. Nadat de bus de dranghekken had gepasseerd werden deze door politie gesloten.’ Een andere vriend vertelde: ‘ik heb jou de provinciale weg van Eenrum naar de stad Groningen zien oprijden. Daarop werden door de politie de aanwezige dranghekken gesloten. Enkele minuten later werd er een zwarte auto, die van jouw secretaresse, alsnog door gelaten.’
Een van mijn kinderen vertelde dat direct na het ongeluk naar het kopje was gezocht waaruit ik koffie had gedronken, maar het was reeds met de hand afgewassen. Er stonden geen vuile koffie kopjes in de afwasmachine.

Volgend Hoofdstuk van Sonstral
Inhoudsopgave
Startpagina

Casparus RH
December 2005. Copyright ©.